Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000 betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap

De Vlaamse Regering,
Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;
Gelet op het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, artikel 64, tweede lid, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008, artikel 168, vervangen bij het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, en artikel 181bis, § 1, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999 en vervangen bij het decreet van 22 december 1999;
Gelet op het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, artikel VI.9.17 en VI.9.18, ingevoegd bij het decreet van 14 maart 2008;
Gelet op het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, artikel 6, § 4;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000 betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 januari 2003 en 8 december 2006;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 15 juli 2008;
Gelet op het advies van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, gegeven op 25 september 2008;
Gelet op protocol nr. 24 van 7 oktober 2008 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de vergadering van het Vlaams onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs;
Gelet op het advies nr. 45.398/1 van de Raad van State, gegeven op 20 november 2008, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming en de Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel;
Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1. Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000 betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 januari 2003, wordt vervangen door wat volgt :

“Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :

1° SCIE : Science Citation Index Expanded;
2° SSCI : Social Science Citation Index;
3° AHCI : Arts and Humanities Citation Index;
4° STP : Science & Technology Database, onderdeel van ISI ProceedingsSM-index;
5° SSHP : Social Sciences & Humanities Database, onderdeel van ISI ProceedingsSM-index;
6° VABB-SHW : het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand – Sociale en Humane Wetenschappen, vermeld in artikel VI.9.17 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de studenten, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;
7° publicatie SCIE of SSCI met impactfactor : een publicatie, verschenen in een tijdschrift, verwerkt voor de SCIE of SSCI, waarvan een impactfactor berekend kan worden, toegewezen aan een van de volgende publicatietypes ‘Article, Letter, Note, Review’;
8° publicatie SCIE of SSCI zonder impactfactor : een publicatie, verschenen in een tijdschrift, verwerkt voor de SCIE of SSCI, waarvan geen impactfactor berekend kan worden, toegewezen aan een van de volgende publicatietypes ‘Article, Letter, Note, Review’;
9° publicatie AHCI : een publicatie, verschenen in een tijdschrift, verwerkt voor de AHCI, toegewezen aan een van de volgende publicatietypes ‘Article, Letter, Note, Review’, exclusief de publicaties van SCIE of SSCI die al geteld worden;
10° proceeding STP of SSHP : een proceeding verwerkt voor de ISI ProceedingsSM-index met onderdelen STP en SSHP, toegewezen aan een van de volgende publicatietypes ‘Article, Letter, Note, Review en Proceedings paper’, exclusief de publicaties van SCIE, SSCI of AHCI die al geteld worden;
11° publicatie VABB-SHW : een publicatie, verwerkt voor het VABB-SHW, exclusief alle publicaties, verwerkt voor de SCIE, SSCI, AHCI, STP of SSHP.
12° citatie : een verwijzing in een publicatie, verschenen in een tijdschrift, verwerkt voor de SCIE of de SSCI, toegewezen aan een van de volgende publicatietypes ‘Article, Letter, Note, Review’ naar een andere publicatie, verschenen in een tijdschrift, verwerkt voor de SCIE of de SSCI, toegewezen aan een van de volgende publicatietypes ‘Article, Letter, Note, Review’;
13° impactfactor : de impactfactor van een tijdschrift, verwerkt voor de SCIE of de SSCI, zoals gepubliceerd in de Journal Citation Reports;
14° discipline : een van de volgende dertien vakgebieden in de technische, natuur- en levenswetenschappen en drie deelgebieden in de sociale en humane wetenschappen :
a) A – Agronomie en omgevingswetenschappen;
b) Z – Biologie (op het organisme- en het supraorganismevlak);
c) B – Biowetenschappen (algemene, cellulaire en subcellulaire biologie; genetica);
d) R – Biomedisch onderzoek;
e) I – Klinische en experimentele geneeskunde I (algemene en interne geneeskunde);
f) M – Klinische en experimentele geneeskunde II (niet-interne vakken);
g) N – Neuro- en gedragswetenschappen;
h) C – Chemie;
i) P – Fysica;
j) G – Aard- en ruimtewetenschappen;
k) E – Technische wetenschappen;
l) H – Wiskunde;
n) X – Multidisciplinaire tijdschriften;
n) S – Sociale wetenschappen I;
o) O – Sociale wetenschappen II;
p) U – Arts & humanities.
15° sociale en humane wetenschappen : de categorieën S, O en U zoals vermeld in 14°. »

Art. 2.

Aan hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk Iter toegevoegd, bestaande uit de artikelen 1ter tot en met 1sepdecies, dat luidt als volgt :

“Hoofdstuk Iter Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand – Sociale en Humane Wetenschappen (VABB-SHW)

Afdeling I. – De dekkingsgraad en de inhoud van het VABB-SHW

Art. 1ter. Voor het VABB-SHW worden de publicaties verwerkt die afkomstig zijn van onderzoekers, verbonden aan Vlaamse universiteiten en hogescholen, en die behoren tot de disciplines van de sociale en humane wetenschappen.

Art. 1quater. Om opgenomen te worden in het VABB-SHW moet een publicatie aan de volgende criteria (ondergrens) voldoen :
1° publiek toegankelijk zijn;
2° op een ondubbelzinnige manier identificeerbaar zijn via een ISBN- of ISSN-nummer;
3° een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van nieuwe inzichten of aan de toepassing ervan;
4° voor verschijnen beoordeeld zijn in een aantoonbaar peer-reviewproces door wetenschappers die expert zijn in de betrokken (deel)discipline(s). Peer review moet uitgevoerd worden door een editorial board, door een vast leescomité, door externe referees of door een combinatie van die types.

Afdeling II. – Het Gezaghebbend Panel

Art. 1quinquies. § 1. Voor het wetenschappelijk beheer van het VABB-SHW richt de Vlaamse Regering een Gezaghebbend Panel op, bestaande uit ten minste twaalf en ten hoogste achttien onderzoekers die verbonden zijn aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen, die werkzaam zijn in de sociale en humane wetenschappen en die in hun onderzoeksdomein een internationale erkenning genieten.
De leden van het Gezaghebbend Panel worden voor hernieuwbare perioden van vier jaar aangesteld door de Vlaamse Regering uit een dubbeltal, voorgedragen door de associatiebesturen, die ervoor zorgen dat daarbij voor elke associatie minstens één lid wordt voorgedragen vanuit de universiteit die van de associatie deel uitmaakt. Elk associatiebestuur wint daarbij het advies in van de onderzoeksraad van de universiteit die er deel van uitmaakt. Bij de voordracht nemen de associatiebesturen alle noodzakelijke maatregelen om een objectieve kwaliteitsbeoordeling mogelijk te maken. Inzonderheid zullen de associatiebesturen aantonen dat de voorgestelde personen in hun vakgebied een algemene internationale erkenning genieten.
De samenstelling van het Gezaghebbend Panel waarborgt dat de leden de verschillende wetenschappelijke disciplines uit de sociale en humane wetenschappen vertegenwoordigen, zoals bedoeld in artikel 3, § 3, 3° van dit besluit.
Minstens twee leden zijn verbonden aan een Vlaamse hogeschool.

§ 2. Het Gezaghebbend Panel wordt beschouwd als een adviesorgaan als vermeld in het decreet van 13 juli 2007 houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid.

§ 3. De Vlaamse Regering wijst onder de leden een voorzitter en een plaatsvervangende voorzitter aan.

Art. 1sexies. Het Gezaghebbend Panel stelt een reglement van orde vast dat pas uitvoerbaar is na bekrachtiging door de Vlaamse minister bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid.
Na bekrachtiging wordt het reglement van orde gepubliceerd op de website van het Steunpunt O&O-Indicatoren.

Art. 1septies. Het Gezaghebbend Panel kan een beroep doen op deskundigen die als een autoriteit in hun discipline of disciplines worden erkend.

Art. 1octies. Het Gezaghebbend Panel wordt technisch en administratief ondersteund door het Steunpunt O&O-Indicatoren. In de beheersovereenkomst, gesloten tussen de Vlaamse Regering en het Steunpunt O&O-Indicatoren, worden daarvoor de nodige bepalingen opgenomen.

Art. 1novies. Het Gezaghebbend Panel brengt aan de Vlaamse Regering een eerste maal voor 31 december 2010 en vervolgens jaarlijks voor 1 juni schriftelijk verslag uit van de werkzaamheden van het afgelopen jaar.

Afdeling III. – Eerste versie van het VABB-SHW

Art. 1decies. § 1. De wetenschappelijke selectie van de publicaties die worden opgenomen in de eerste versie van het VABB-SHW vindt plaats volgens de procedure, vermeld in § 2 tot en met § 7 :

§ 2. In overleg met de associaties en het Gezaghebbend Panel legt het Steunpunt O&O-Indicatoren uiterlijk op 31 december 2008 de architectuur van het VABB-SHW vast, met inbegrip van de bibliografische gegevens van de publicaties die daarin worden opgenomen en de wijze waarop die moeten worden aangeleverd.

§ 3. Voor de eerste versie van het VABB-SHW bezorgt elke associatie uiterlijk op 1 september 2009 aan het Steunpunt O&O-Indicatoren de bibliografische gegevens van publicaties die in de periode 2000-2008 werden gepubliceerd met een affiliatie van een instelling die deel uitmaakt van de betrokken associatie en waarvan het associatiebestuur van oordeel is dat ze aan de volgende voorwaarden voldoen :

1° ze behoren tot een discipline van de sociale en humane wetenschappen;
2° ze voldoen aan de criteria vermeld in artikel 1quater.

Het associatiebestuur onderscheidt bij de aanlevering van de gegevens de volgende publicatietypes :

1° artikelen in tijdschriften;
2° boeken als auteur;
3° boeken als editor;
4° artikelen of gedeelten in boeken;
5° artikelen in proceedings die geen special issues van tijdschriften of edited boeken zijn;

§ 4. Het Steunpunt O&O-Indicatoren levert uiterlijk op 1 november 2009 aan het Gezaghebbend Panel de lijst van titels van alle tijdschriften waarin publicaties verschenen zijn die door de associaties werden bezorgd onder het publicatietype “artikelen in tijdschriften”, vermeld in § 3, 1°.

Het Steunpunt O&O-Indicatoren levert uiterlijk op 1 december 2009 aan het Gezaghebbend Panel de lijst van alle uitgevers van boeken die door de associaties werden bezorgd onder het publicatietype “boeken als auteur”, “boeken als editor” of “artikelen of gedeelten in boeken”, vermeld in § 3, 2° tot en met 4°.

Het Steunpunt O&O-Indicatoren levert uiterlijk op 1 december 2009 aan het Gezaghebbend Panel de bibliografische gegevens van publicaties die door de associaties werden bezorgd onder het publicatietype “artikelen in proceedings die geen special issues van tijdschriften of edited boeken zijn”, vermeld in § 3, 5°.

§ 5. Op basis van de lijsten van tijdschrifttitels en uitgevers, vermeld in § 4, deelt het Gezaghebbend Panel uiterlijk op 1 oktober 2010 aan de Vlaamse minister bevoegd, voor het hoger onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid, aan de associaties en aan het Steunpunt O&O-Indicatoren de lijst mee van tijdschrifttitels en van de uitgevers waarvan artikelen of boeken worden opgenomen in het VABB-SHW. Zonder afbreuk te doen aan de criteria, vermeld in artikel 1quater kan het Gezaghebbend Panel verschillende kwaliteitslabels toekennen aan de tijdschrifttitels en de uitgevers.
Op basis van de bibliografische gegevens, vermeld in § 4, van publicaties die behoren tot het publicatietype, vermeld in § 3, 5°, deelt het Gezaghebbend Panel uiterlijk op 1 oktober 2010 aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het hoger onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid, aan de associaties en aan het Steunpunt O&O-Indicatoren mee welke publicaties worden opgenomen in het VABB-SHW onder het publicatietype, vermeld in § 3, 5°.

§ 6. Het Steunpunt O&O-Indicatoren publiceert de lijst van de tijdschrifttitels en van de uitgevers, vermeld in § 5, op zijn website.

§ 7. Het Steunpunt O&O-Indicatoren stelt de eerste versie van het VABB-SHW op, rekening houdend met de lijst van tijdschrifttitels en uitgevers en met de meegedeelde publicaties, vermeld in § 5, die behoren tot het publicatietype, vermeld in § 3, 5°.

Art. 1undecies. Uiterlijk op 1 december 2010 maakt het Steunpunt O&O-Indicatoren de eerste versie van het VABB-SHW via een webapplicatie minstens voor alle associaties en de Vlaamse overheid toegankelijk.

Afdeling IV. – Uitbreiding en jaarlijkse actualisering van het VABB-SHW

Art. 1duodecies. § 1. De wetenschappelijke selectie van de publicaties voor de jaarlijkse actualisering van het VABB-SHW vanaf het begrotingsjaar t = 2011 verloopt volgens de procedure,vermeld in § 2 tot en met § 6.

§ 2. In elk jaar (t-1) levert elke associatie voor 1 april aan het Steunpunt O&O-Indicatoren de bibliografische gegevens van publicaties die in het jaar (t-2) werden gepubliceerd met een affiliatie van een instelling die deel uitmaakt van de betrokken associatie en waarvan het associatiebestuur van oordeel is dat ze beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
1° ze behoren tot een discipline van de sociale en humane wetenschappen;
2° ze voldoen aan de criteria vermeld in artikel 1quater.
Het associatiebestuur onderscheidt bij de aanlevering van de gegevens de volgende publicatietypes :
1° artikelen in tijdschriften;
2° boeken als auteur;
3° boeken als editor;
4° artikelen of gedeelten in boeken;
5° artikelen in proceedings die geen special issues van tijdschriften of edited boeken zijn;
De publicaties die in het jaar (t-3) werden gepubliceerd en die niet werden aangeleverd in het jaar (t-2), kunnen nog aangeleverd worden in het jaar (t-1).

§ 3. Het Steunpunt O&O-Indicatoren levert uiterlijk op 1 juni van het jaar (t-1) aan het Gezaghebbend Panel de lijst van titels van alle tijdschriften waarin publicaties verschenen zijn die door de associaties werden bezorgd onder het publicatietype “artikelen in tijdschriften”, vermeld in § 2, 1°.
Het Steunpunt O&O-Indicatoren levert uiterlijk op 1 juni van het jaar (t-1) aan het Gezaghebbend Panel de lijst van alle uitgevers van boeken die door de associaties werden bezorgd onder het publicatietype “boeken als auteur”, “boeken als editor” of “artikelen of gedeelten in boeken”, vermeld in § 2, 2° tot en met 4°.
Het Steunpunt O&O-Indicatoren levert uiterlijk op 1 juni van het jaar (t-1) aan het Gezaghebbend Panel de bibliografische gegevens van publicaties die door de associaties werden bezorgd onder het publicatietype “artikelen in proceedings die geen special issues van tijdschriften of edited boeken zijn”, vermeld in § 2, 5°.

§ 4. Op basis van de lijsten van tijdschrifttitels en van uitgevers, vermeld in § 3, deelt het Gezaghebbend Panel uiterlijk op 1 oktober van het jaar (t-1) aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het hoger onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor hetwetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid, aan de associaties en aan het Steunpunt O&O-Indicatoren de geactualiseerde lijst mee van tijdschrifttitels en van de uitgevers waarvan resp. artikelen, boeken worden opgenomen in het VABB-SHW. Zonder afbreuk te doen aan de criteria, vermeld in artikel 1quater, kan het Gezaghebbend Panel verschillende kwaliteitslabels toekennen aan de tijdschrifttitels en de uitgevers.
Op basis van de aangeleverde bibliografische gegevens, vermeld in § 3, van publicaties die behoren tot het publicatietype, vermeld in § 2, 5°, deelt het Gezaghebbend Panel uiterlijk op 1 oktober van het jaar (t-1) aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het hoger onderwijs, en de Vlaamse minister bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid, aan de associaties en aan het Steunpunt O&O-Indicatoren mee welke publicaties worden opgenomen in het VABB-SHW onder het publicatietype, vermeld in § 2, 5°.

§ 5. Het Steunpunt O&O-Indicatoren publiceert de lijst van tijdschrifttitels en van de uitgevers, vermeld in § 4, op zijn website.

§ 6. Het Steunpunt O&O-Indicatoren stelt de actualisering van het VABB-SHW op, rekening houdend met de lijst van tijdschrifttitels en uitgevers, vermeld in § 4, en met de publicaties, vermeld in § 4, die behoren tot het publicatietype, vermeld in § 2, 5°.

Art. 1terdecies. Uiterlijk op 31 december van het jaar (t-1) maakt het Steunpunt O&O-Indicatoren de actualisering van het VABB-SHW via een webapplicatie minstens voor alle associaties en de Vlaamse overheid toegankelijk.

Art. 1quaterdecies. § 1. Het Gezaghebbend Panel stelt een werkgroep samen die de uitbreiding van het VABB-SHW verder uitwerkt, waarbij het eindresultaat welomlijnde definities omvat van publicatietypes die niet behoren tot de publicatietypes, vermeld in artikel 1decies § 3, 1° tot en met 5°, maar wel geschikt zijn om deel uit te maken van het VABB-SHW-telschema en voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 1quater.

§ 2. Tegen uiterlijk 30 juni 2010 en na toetsing van de technische haalbaarheid met het Steunpunt O&O-Indicatoren deelt het Gezaghebbend Panel aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het hoger onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid, de lijst van publicatietypes, vermeld in § 1, mee.

§ 3. De publicatietypes, vermeld in § 2, worden tegen uiterlijk 1 januari 2012, mee opgenomen in een tweede versie van het VABB-SHW. Het Gezaghebbend Panel formuleert hiertoe een voorstel van uitbreiding van het VABB-SHW-telschema tegen uiterlijk 31 december 2010.

Afdeling V. – Regeling van materiële vergissingen

Art. 1quindecies. Het Gezaghebbend Panel stelt een procedure vast voor de melding en de behandeling van verzoeken van de associaties tot rechtzetting van materiële vergissingen en onjuistheden die vastgesteld worden in de beslissingen, vermeld in artikel 1decies, § 5 en artikel 1duodecies, § 4.

Die procedure maakt deel uit van het reglement van orde, vermeld in artikel 1sexies.

Afdeling VI. – Kwaliteitszorg

Art. 1sedecies. De Vlaamse Regering laat om de drie jaar en een eerste maal in de loop van 2012 de kwaliteit van het VABB-SHW doorlichten, waarbij ten minste de volgende elementen worden beoordeeld :
1° de al dan niet toewijzing van de publicaties aan een discipline van de sociale en humane wetenschappen;
2° de mate waarin de publicaties die worden verwerkt in het VABB-SHW aan de criteria, vermeld in artikel 1quater, voldoen en de mate waarin de publicaties die werden afgewezen door het Gezaghebbend Panel, er niet aan voldoen.

Art. 1sepdecies. § 1. Voor de beoordeling stelt de Vlaamse Regering een evaluatiepanel samen, dat bestaat uit ten minste vijf leden die werken in disciplines van sociale en humane wetenschappen, waarvan minstens één persoon in het gebied van wetenschapsstudies werkt, en die een internationale erkenning in hun onderzoeksdomein genieten. Geen van de leden van het evaluatiepanel werkt op het ogenblik van de aanstelling in België.

§ 2. Het evaluatiepanel wordt beschouwd als een adviesorgaan als vermeld in het decreet van 13 juli 2007 houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid.

§ 3. De Vlaamse Regering wijst onder de leden een voorzitter en een plaatsvervangende voorzitter aan.

Art. 1octadecies. Het evaluatiepanel stelt een rapport op met zijn bevindingen en aanbevelingen en bezorgt dat aan de Vlaamse Regering.
Het rapport van het evaluatiepanel, eventueel samen met de reacties van het Gezaghebbend Panel en van het Steunpunt O&O-Indicatoren, wordt door de Vlaamse Regering, eventueel samen met haar beleidsconclusies, bezorgd aan het Vlaams Parlement. »

Art. 3. Artikel 2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 januari 2003, wordt vervangen door wat volgt :

“Art. 2. § 1. De overheidsbijdrage in de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen van de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap is voor het begrotingsjaar 2008 gelijk aan het bedrag, ingeschreven onder de basisallocaties EE 3309B, EE 4002 B, EE 4003B, EE 4464B en FG 4464D van de aangepaste uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2008, of aan het bedrag, ingeschreven onder die basisallocaties zoals het werd aangepast bij de decreten houdende aanpassing van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2008.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag, vermeld in § 1, binnen de perken van de begrotingskredieten jaarlijks geïndexeerd volgens de formule die bij decreet wordt vastgesteld voor de indexering van de werkingsuitkering van de universiteiten en hogescholen. »

Art. 4. In artikel 3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 januari 2003, en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° In § 1 worden na de woorden “begrotingsjaar 2003″ de woorden “tot en met 2007″ ingevoegd;

2° er wordt een § 1bis ingevoegd, die luidt als volgt :
” § 1bis. Vanaf het begrotingsjaar 2008 wordt de overheidsbijdrage aan de Bijzondere Onderzoeksfondsen onder de universiteiten verdeeld volgens een jaarlijks te becijferen procentuele verdeelsleutel die wordt afgerond op twee cijfers na de komma na afloop van de berekening. De met toepassing van die verdeelsleutel verkregen bedragen worden afgerond op het honderdtal.
Vanaf het begrotingsjaar 2008 wordt een minimumdrempel toegepast voor de Universiteit Hasselt en de Katholieke Universiteit Brussel, als hun berekende procentuele aandeel lager ligt dan die minimumdrempel, als vermeld in artikel 3, § 11 en § 11bis.
Als voor de Universiteit Hasselt of voor de Katholieke Universiteit Brussel de minimumdrempel toegepast moet worden, worden na voorafname voor de Universiteit Hasselt of de Katholieke Universiteit Brussel de berekende overheidsbijdragen aan de Bijzondere Onderzoeksfondsen voor de andere universiteiten overeenkomstig herschaald, zoals bepaald in § 11bis. »;

3° § 2, § 3 en § 4 worden vervangen door wat volgt :
” § 2. De procentuele verdeelsleutel wordt berekend volgens twee onderdelen, waarvan het eerste onderdeel, hierna onderdeel A genoemd, in 2003 90 % van de resterende middelen omvat, in 2004 80 %, van 2005 tot en met 2007 70 %, in 2008 68,50 %, in 2009 67 %, en daarna afneemt met 1 % per jaar. In 2012 telt onderdeel A mee voor 64 %. Het aandeel voor het tweede onderdeel, hierna onderdeel B genoemd, stijgt van 10 % in 2003 naar 20 % in 2004 en bedraagt 30 % van 2005 tot en met 2007. In 2008 telt onderdeel B mee voor 31,50 %, in 2009 voor 33 % en neemt daarna toe met 1 % per jaar. In 2012 telt onderdeel B mee voor 36 %.

gewicht per onderdeel 2007 2008 2009 2010 2011 2012
gA 0,700 0,685 0,670 0,660 0,650 0,640
gB 0,300 0,315 0,330 0,340 0,350 0,360

Het berekende aandeel van elke universiteit volgens de twee onderdelen A en B bedraagt : BERu = gA x Au + gB x Bu, waarbij :
1° BERu : het procentuele aandeel volgens de twee onderdelen A en B voor universiteit u;
2° gA, gB : de gewichten, vermeld in de bovenstaande tabel, voor elk van de twee onderdelen;
3° Au, Bu : de aandelen van universiteit u in de onderdelen A en B, vermeld in artikel 3, § 3, § 8 en § 8bis.
§ 3. Onderdeel A van de verdeelsleutel is het gewogen gemiddelde van de volgende vier elementen :
1° het procentuele aandeel van iedere universiteit, tot en met begrotingsjaar 2007 uitgezonderd de Katholieke Universiteit Brussel, in het aantal bachelor- en initiële masterdiploma’s, inclusief tweedecyclusdiploma’s, afgeleverd in een financierbare studierichting tijdens de vier afgesloten academiejaren, vermeld in § 4. De diploma’s krijgen een wegingsfactor die gelijk is aan het puntengewicht van hun studiegebied overeenkomstig artikel 23 van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen;
2° het procentuele aandeel van iedere universiteit, tot en met begrotingsjaar 2007 uitgezonderd de Katholieke Universiteit Brussel, in het brutoaantal doctoraatsdiploma’s en het aantal gewogen doctoraatsdiploma’s (met toepassing van dezelfde wegingsfactor als de wegingsfactor, vermeld in 1°), die tijdens de vier afgesloten academiejaren, vermeld in § 4, werden afgeleverd. Op het brutoaantal doctoraatsdiploma’s wordt een weging van 0,25 toegepast, op het gewogen aantal doctoraatsdiploma’s wordt een weging van 0,75 toegepast.
3° een parameter die berekend wordt rekening houdend met het volgende :
a) tot en met begrotingsjaar 2007 het procentuele aandeel van iedere universiteit, uitgezonderd de Katholieke Universiteit Brussel, in de jaarlijkse werkingsuitkeringen die overeenkomstig artikel 130 van hetzelfde decreet van 12 juni 1991 werden toegekend tijdens de vier kalenderjaren, vermeld in § 4, die aan het begrotingsjaar voorafgaan.
b) vanaf het begrotingsjaar 2008 tot en met het begrotingsjaar 2010 komt het derde element overeen met het procentuele aandeel van iedere universiteit in de jaarlijkse werkingsuitkeringen en het wetenschappelijk personeelsbestand van de Vlaamse universiteiten, vermeld in § 4. In het begrotingsjaar 2008 wordt een weging van 0,75 toegepast op het procentuele aandeel van de jaarlijkse werkingsuitkeringen en een weging van 0,25 op het procentuele aandeel van het wetenschappelijk personeelsbestand. In het begrotingsjaar 2009 wordt op beide elementen een weging van 0,50 toegepast. In het begrotingsjaar 2010 wordt een weging van 0,25 toegepast op het procentuele aandeel van de jaarlijkse werkingsuitkeringen en een weging van 0,75 op het procentuele aandeel van het wetenschappelijk personeelsbestand.
c) Vanaf het begrotingsjaar 2011 wordt alleen rekening gehouden met het procentuele aandeel van iedere universiteit in het wetenschappelijk personeelsbestand.
Onder wetenschappelijk personeelsbestand worden de volgende twee factoren verstaan, beide gewogen met een weging van 0,50 :
a) de som van de volgende personeelsleden, in voltijdse equivalenten begrepen en geteld op 1 februari van het betreffende referentiejaar :
1) het zelfstandig academisch personeel en het assisterende academisch personeel, als vermeld in artikel 64 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap;
2) het bijzonder academisch personeel;
b) de som van de volgende personeelsleden, in voltijdse equivalenten begrepen en geteld op 1 februari van het betreffende referentiejaar :
1) het zelfstandig academisch personeel en het assisterende academisch personeel, als vermeld in artikel 64 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, tewerkgesteld in de sociale en humane wetenschappen;
2) het bijzonder academisch personeel, tewerkgesteld in de sociale en humane wetenschappen.
In afwijking van artikel 1, 15°, wordt onder humane en sociale wetenschappen verstaan : de disciplines Historische wetenschappen, Kunstwetenschappen (incl. Archeologie), Letteren (inclusief informatie-, documentatie-, bibliotheek- en archiefwetenschappen), Theologie, bijbel- en godsdienstwetenschappen, Wijsbegeerte (inclusief moraalwetenschappen), Rechtswetenschappen (inclusief notariaat), Criminologie, Economie en toegepaste economie, Psychologie, Pedagogische wetenschappen en didactiek, Politieke en sociale wetenschappen en Sociale gezondheidswetenschappen.
Onder bijzonder academisch personeel wordt verstaan :
a) de doctoraatsbursalen en de postdoctorale onderzoekers met een beurs die werken in de instelling en bezoldigd worden ten laste van andere bronnen dan de werkingsuitkeringen, mits zij onder toepassing van de RSZ vallen;
b) de wetenschappelijke personeelsleden, bezoldigd ten laste van andere bronnen dan de werkingsuitkeringen, en de wetenschappelijke personeelsleden die werken in de universiteiten, maar rechtstreeks betaald worden door een van de volgende instellingen : FWO-Vlaanderen, IWT;VIB, IMEC, IBBT, VITO. De personeelsleden die rechtstreeks door VIB, IMEC, IBBT of VITO worden betaald, zijn ingeschreven in de personeelsdatabank van de universiteit. De strategische onderzoekscentra betalen voor hen overhead aan de betrokken instelling.
De gegevens voor de berekening van de parameter ‘wetenschappelijk personeelsbestand’ worden aangeleverd door de Vlaamse Interuniversitaire Raad na een gezamenlijke validatie ervan door de universiteiten, de overheid en de commissarissen die het toezicht uitoefenen op de universiteiten;
4° een parameter “mobiliteit en diversiteit”, zijnde het procentuele aandeel van elke universiteit, tot en met het begrotingsjaar 2007 uitgezonderd de Katholieke Universiteit Brussel, in het aantal eerste aanstellingen in een graad van het zelfstandig academisch personeel van :
a) personen die gepromoveerd zijn tot doctor aan een andere universiteit dan de aanstellende universiteit;
b) personen die aan de aanstellende universiteit gepromoveerd zijn tot doctor, maar gedurende de laatste vijf jaar ten minste drie jaar geen deel hebben uitgemaakt van het personeel bij die universiteit of een andere universiteit, bij een universitair ziekenhuis, een hogeschool, een publieke onderzoeksorganisatie of een onderzoeksorganisatie die structurele financiering krijgt vanuit de Vlaamse begroting;
c) personen van het vrouwelijk geslacht.
Onder eerste aanstelling als vermeld in het eerste lid, wordt verstaan de indiensttreding bij de universiteit in een van de graden van het zelfstandig academisch personeel conform hoofdstuk IV, afdeling 3 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.
Bij de bepaling van het aantal aanstellingen :
1° wordt geen rekening gehouden met dubbeltellingen, in de zin dat een persoon die bij de aanstelling aan een universiteit voldoet aan twee criteria, vermeld in het eerste lid, 4°, eenmaal wordt geteld;
2° worden het Rijksuniversitair Centrum Antwerpen, de Universitaire Faculteit Sint-Ignatius Antwerpen en de Universitaire Instelling Antwerpen als één universiteit (Universiteit Antwerpen) beschouwd;
3° worden alleen aanstellingen van ten minste 80 % aan de universiteit in rekening genomen, inclusief gemengde aanstellingen aan enerzijds de universiteit en anderzijds :
a) het daaraan verbonden academisch ziekenhuis. Voor de toepassing van deze bepaling wordt het Universitair Ziekenhuis Gent respectievelijk het Universitair Ziekenhuis Antwerpen, beschouwd als verbonden met de Universiteit Gent respectievelijk de Universiteit Antwerpen;
b) het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen;
c) het IWT;
d) de strategische onderzoekscentra (IBBT, IMEC, VITO en VIB).
De gegevens voor de berekening van deze parameter ‘mobiliteit en diversiteit’ worden aangeleverd door de Vlaamse Interuniversitaire Raad na een gezamenlijke validatie ervan door de universiteiten, de overheid en de commissarissen die het toezicht uitoefenen op de universiteiten.
Om de onderlinge weging van de vier vermelde elementen te verrichten worden de volgende factoren toegepast ten opzichte van het totaal van de onderdelen A en B :

gewicht per element van onderdeel A 2007 2008 2009 2010 2011 2012
gA1 0,245 0,250 0,250 0,250 0,250 0,250
gA2 0,350 0,350 0,350 0,350 0,350 0,350
gA3 0,091 0,071 0,042 0,020 0,010 0,000
gA4 0,014 0,014 0,028 0,040 0,040 0,040
Som = gA 0,700 0,685 0,670 0,660 0,650 0,640

Het aandeel van onderdeel A van elke universiteit, uitgezonderd de Katholieke Universiteit Brussel, wordt berekend aan de hand van de volgende formule tot en met begrotingsjaar 2007 :
Au = [gA1 x TCDu / sigmai (TCDi) +gA2 x Du/ sigmaiDi + gA3 x Wu / sigmai(Wi) + gA4 x Pu / sigmai (Pi)] / gA, waarbij het volgende geldt :
1° Au : het procentuele aandeel van universiteit u in onderdeel A;
2° TCDi : het totale aantal gewogen bachelor- en initiële masterdiploma’s van universiteit i;
3° Di : het totale aantal gewogen doctoraten van universiteit i;
4° Wi : de werkingsuitkeringen van universiteit i;
5° Pi : de personeelsaantallen, vermeld in het vierde element van universiteit i;
6° gA1, gA2, gA3, gA4 : de gewichten, vermeld in de bovenstaande tabel, voor elk van de vier elementen;
7° de sommatie i loopt over de universiteiten, uitgezonderd de Katholieke Universiteit Brussel.
Vanaf het begrotingsjaar 2008 wordt het aandeel van onderdeel A van elke universiteit berekend aan de hand van de volgende formule :
Au = [ gA1 x BMDu / sigmai (BMDi) +gA2 x Du / sigmai (Di) + gA3 x WPu / deltai (WPi) + gA4 x Pu / sigmai (Pi) ] / gA, waarbij het volgende geldt :
1° Au : het procentuele aandeel van universiteit u in onderdeel A;
2° BMDi : het totale aantal gewogen bachelordiploma’s en initiële masterdiploma’s van universiteit i;
3° Di : het totaal aantal gewogen doctoraten van universiteit i;
4° WPi : de werkingsuitkeringen en het aantal leden van het academisch personeel, vermeld in het derde element, van universiteit i;
5° Pi : het aantal personeelsleden, vermeld in het vierde element, van universiteit i;
6° gA1, gA2, gA3, gA4 : de gewichten, vermeld in de bovenstaande tabel, voor elk van de vier elementen;
7° de sommatie i loopt over alle universiteiten.
§ 4. Voor de becijfering van de verdeelsleutel voor het begrotingsjaar t, vermeld in § 3, worden in rekening gebracht : het aantal bachelor- en initiële masterdiploma’s, inclusief tweedecyclusdiploma’s, en het aantal diploma’s van de graad van doctor in de academiejaren [(t-6)-(t-5)] tot en met [(t-3)-(t-2)].
Voor de becijfering van het derde element, vermeld in § 3, 3°, voor het begrotingsjaar 2008 worden in rekening gebracht : het bedrag van de werkingsuitkering van de begrotingsjaren 2006, 2005 en 2004 en het wetenschappelijk personeelsbestand van 2007. Voor het begrotingsjaar 2009 worden in rekening gebracht : het bedrag van de werkingsuitkering van de begrotingsjaren 2006 en 2005 en het wetenschappelijk personeelsbestand van 2008 en 2007. Voor het begrotingsjaar 2010 worden in rekening gebracht : het bedrag van de werkingsuitkering van het begrotingsjaar 2006 en het wetenschappelijk personeelsbestand van 2009, 2008 en 2007. Voor de becijfering van het derde element, vermeld in § 3, 3°, in het begrotingsjaar 2011 worden in rekening gebracht : het wetenschappelijk personeelsbestand van de begrotingsjaren (t-4) tot en met (t-1).
Om het aantal aanstellingen vast te stellen voor het vierde element, vermeld in § 3, 4°, wordt een glijdend tijdsvenster genomen van het begrotingsjaar (t-5) tot en met (t-2), voorafgaand aan het begrotingsjaar t. »;
4° § 5 wordt opgeheven.
5° § 6 wordt vervangen door wat volgt :
“Als twee of meer Vlaamse associaties een reële bijdrage leveren aan de wetenschappelijke begeleiding en materiële ondersteuning van de voorbereiding van een proefschrift met het oog op het behalen van een diploma van doctor, kunnen de betrokken universiteiten een overeenkomst sluiten voor de fractionele aanrekening van het diploma met het oog op de bepaling van het procentuele aandeel, vermeld in § 3, 2°, met dien verstande dat de som van de fracties altijd gelijk is aan een eenheid vooraleer toepassing wordt gemaakt van de wegingsfactor, vermeld in § 3, 2°. »;
6° in § 8 worden na de woorden “verdeelsleutel wordt” de woorden “tot en met het begrotingsjaar 2007″ toegevoegd;
7° er worden een nieuwe § 8bis, § 8ter, § 8quater en § 8quinquies toegevoegd, die luiden als volgt :
” § 8bis. Vanaf begrotingsjaar 2008 wordt onderdeel B van de verdeelsleutel berekend als het procentuele aandeel van elke universiteit in elk van de twee elementen, vermeld in artikel 4, § 8ter en § 8quater, die als criteria voor kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek worden beschouwd : publicaties en citaties.
§ 8ter. Bij het aantal publicaties wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën van publicaties :
a) publicaties SCIE of SSCI met impactfactor;
b) publicaties SCIE of SSCI zonder impactfactor;
c) publicaties AHCI;
d) proceedings STP en SSHP;
e) publicaties VABB-SHW.
De publicaties, vermeld in e) worden in rekening gebracht vanaf 1 januari 2011.
Voor elke categorie wordt het procentuele aandeel van elke universiteit berekend.
De gewichten van de categorieën a) tot en met d), worden bepaald door het relatieve aandeel publicaties binnen elke categorie ten opzichte van het totale aantal publicaties, vermeld in a) tot en met d), te vermenigvuldigen met 100 % in de begrotingsjaren 2008 tot en met 2010, en met (100 % – gVABB) vanaf het begrotingsjaar 2011, waarbij gVABB het gewicht is van de publicaties, vermeld in e).
Om dat aandeel te berekenen worden de publicaties, vermeld in d), meegeteld met een gewicht 0,50.
Het gewicht gVABB wordt bepaald op 15 % vanaf het begrotingsjaar 2011.
Vanaf het begrotingsjaar 2012 kan het gewicht gVABB jaarlijks door de Vlaamse Regering worden gewijzigd.
Voor een wijziging van het gewicht vanaf het begrotingsjaar t moet het Gezaghebbend Panel uiterlijk op 1 juni van het jaar t-1 een voorstel formuleren aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het hoger onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid.
Voor de berekening van het procentuele aandeel van elke universiteit in de categorie a) wordt de volgende verfijnde telling toegepast :
1° Binnen elke discipline wordt per universiteit het aandeel berekend in de som van de impactfactoren die horen bij de publicaties in die discipline, waardoor de nadruk ligt op publiceren in tijdschriften met een hoge impactfactor. Vervolgens wordt op twee manieren een gewogen som gemaakt van die aandelen. Beide wegingen tellen mee voor de helft :
a) enerzijds een weging over de disciplines naar rato van hun aandeel in het totale aantal publicaties (waardoor binnen elk van de disciplines de nadruk ligt op publiceren in tijdschriften met een hoge impactfactor voor die discipline);
b) anderzijds een weging over de disciplines naar rato van hun aandeel in de som van de impactfactoren die horen bij de publicaties (waardoor de nadruk ligt op publicaties in algemene tijdschriften met een hoge impactfactor voor het geheel van alle disciplines).
2° Publicaties in tijdschriften die tot verschillende disciplines behoren, worden met gelijke fracties aan die disciplines toegewezen.
3° Als impactfactor die bij een publicatie in een bepaald tijdschrift hoort, geldt het gemiddelde van de beschikbare impactfactoren van dat tijdschrift voor alle jaren uit het glijdende tijdsvenster, vermeld in § 9, tweede lid.
4° De categorieën b), c) en d) worden bruto geteld.
5° Om het procentuele aandeel van elke universiteit in de categorie e) te bepalen, wordt het VABB-SHW telschema toegepast, vermeld in § 8quinquies.
§ 8quater. Voor de weging van onderdeel B wordt op de beide elementen, vermeld in § 8bis, een weging van 0,50 toegepast binnen onderdeel B, of de volgende gewichten ten opzichte van het totaal van de onderdelen A en B :

gewicht per element van onderdeel B 2007 2008 2009 2010 2011 2012
gB1 0,150 0,1575 0,165 0,170 0,175 0,180
gB2 0,150 0,1575 0,165 0,170 0,175 0,180
Som = gB 0,300 0,3150 0,330 0,340 0,350 0,360

Het aandeel van onderdeel B van elke universiteit, wordt vanaf 2008 berekend aan de hand van de volgende formule :
Bu = [ gB1 x [gPSSI x BSSIu + gPAH x BAHu + gPR x BPRu + gPSS x BSSu] + gB2 x Cu / sigmai (Ci) ] / gB, waarbij het volgende geldt :
1° Bu : het procentuele aandeel in onderdeel B van elke universiteit u;
2° P : het totale aantal publicaties van alle universiteiten; met gewicht 0,5 voor de proceedings; met P = PSSI + PAH + 0,50 * PR + PSS;
3° Cu : het totale aantal citaties naar alle publicaties van universiteit u;
4° PSSIu : het totale aantal publicaties SCIE of SSCI met impactfactor van universiteit u; met PSSI = sigmai (PSSIi);
5° PAHu : het totale aantal publicaties AHCI van universiteit u; met PAH = sigmai (PAHi);
6° PRu : het totale aantal proceedings STP of SSHP van universiteit u; met PR = sigmai (PRi);
7° PSSu : het totale aantal publicaties SCIE of SSCI zonder impactfactor van universiteit u; met PSS = sigmai (PSSi);
8° gPSSI : het gewicht van de parameter PSSI = PSSI / P;
9° gPAH : het gewicht van de parameter PAH = PAH / P;
10° gPR : het gewicht van de parameter PR = 0,50 * PR / P;
11° gPSS : het gewicht van de parameter PSS = PSS / P;
12° de sommatie i loopt over alle universiteiten;
13° BSSIu, BAHu, BPRu, BSSu : de procentuele aandelen van de universiteit u voor de vier publicatieparameters in onderdeel B;
BAHu = PAHu / PAH
BPRu = PRu / PR
BSSu = PSSu / PSS
BSSIu = 0,50 x sigmad [(Pd / P) x (Iu,d / Id)] + 0,50 x sigmad [(Id / I) x (Iu,d / Id)], waarbij :
a) Pi,j,d : het totale aantal publicaties van universiteit i in tijdschrift j in discipline d;
b) Pd : het totale aantal publicaties van alle betrokken universiteiten i in alle tijdschriften j in discipline d, fractioneel toegewezen : sigmai sigmaj(d) (Pi,j,d / Nj,d);
c) P : het totale aantal publicaties van alle betrokken universiteiten in alle disciplines in alle jaren : sigmad (Pd);
d) Ij,d : de impactfactor van tijdschrift j in discipline d;
e) Nj,d : het aantal disciplines waarin tijdschrift j uit discipline d is ingedeeld;
f) Ii,d : de som van de impactfactoren van de tijdschriften j die horen bij alle publicaties p(i,j,d) van universiteit i in discipline d, fractioneel toegewezen : sigmaj(d) sigmap(i,j,d) (Ij,d / Nj,d);
g) Id : de som van de impactfactoren die horen bij alle publicaties van alle betrokken universiteiten i in discipline d, fractioneel toegewezen : sigmai (Ii,d);
h) I : de som van de impactfactoren die horen bij alle publicaties van alle betrokken universiteiten over alle disciplines d in alle jaren : sigmad (Id);
i) Pu : het totaal aantal publicaties van universiteit u;
j) de sommatie d loopt over alle disciplines;
k) de sommatie i loopt over alle universiteiten;
l) de sommatie j(d) loopt over alle tijdschriften in discipline d.
§ 8quinquies. Het VABB-SHW-telschema wordt vastgelegd door de Vlaamse Regering, na advies van het Gezaghebbend Panel en toetsing door een panel van onderzoekers die niet in België werken, conform artikel VI.9.17, § 2, van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. Dit panel van onderzoekers die niet in België werken, bestaat uit ten minste vijf leden die werken in disciplines van de sociale en humane wetenschappen, van wie minstens één persoon in het gebied van wetenschapsstudies, en die allen een internationale erkenning in hun onderzoeksdomein genieten.
Uiterlijk op 1 juni 2010 formuleert het Gezaghebbend Panel hiertoe een eerste voorstel voor het VABB-SHW-telschema, met het oog op toepassing vanaf het begrotingsjaar 2011, aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het hoger onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid.
Als het Gezaghebbend Panel geen voorstel geformuleerd heeft tegen uiterlijk 1 juni 2010, wordt het VABB-SHW-telschema vanaf het begrotingsjaar 2011 als volgt vastgelegd :
1° artikelen, verschenen in tijdschriften, verwerkt in het VABB-SHW, worden geteld met een gewicht 1;
2° boeken als auteur, verschenen bij uitgevers, verwerkt in het VABB-SHW, worden geteld met een gewicht 4;
3° boeken als editor, verschenen bij uitgevers, verwerkt in het VABB-SHW, worden geteld met een gewicht 2;
4° artikelen of gedeelten in boeken, verschenen bij uitgevers, verwerkt in het VABB-SHW, worden geteld met een gewicht 1;
5° artikelen in proceedings die geen special issues van tijdschriften of edited boeken zijn en die verwerkt worden in het VABB-SHW, worden geteld met een gewicht van 0,50;
Vanaf het begrotingsjaar 2012 kan het VABB-SHW-telschema jaarlijks door de Vlaamse Regering worden gewijzigd.Voor een wijziging van het VABB-SHW telschema vanaf het begrotingsjaar t moet het Gezaghebbend Panel uiterlijk op 1 juni van het jaar t-1 een voorstel formuleren aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het hoger onderwijs, en de Vlaamse minister bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid. »;
8° in § 10 worden de woorden “het jaar na” vervangen door het woord “met”;
9° § 11 wordt vervangen door wat volgt :
” § 11. De overheidsbijdrage aan het Bijzonder Onderzoeksfonds van de Katholieke Universiteit Brussel bedraagt vanaf het jaar 2003 tot en met 2007 jaarlijks 0,23 % van de overheidsbijdrage in de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.
Vanaf begrotingsjaar 2008 bedraagt de overheidsbijdrage aan het Bijzonder Onderzoeksfonds van de Katholieke Universiteit Brussel jaarlijks minstens 0,23 % (MinKUB) van de overheidsbijdrage in de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. Als uit de berekeningen blijkt dat het procentuele aandeel van de Katholieke Universiteit Brussel in de totale overheidsbijdrage aan het Bijzonder Onderzoeksfonds meer bedraagt dan de vastgelegde minimumdrempel, komt de overheidsbijdrage aan het Bijzonder Onderzoeksfonds van de Katholieke Universiteit Brussel overeen met het berekende percentage.
10° er wordt een § 11bis ingevoegd, die luidt als volgt :
§ 11bis. De overheidsbijdrage aan het Bijzonder Onderzoeksfonds van de UHasselt bedraagt vanaf begrotingsjaar 2008 jaarlijks minstens 2,16 % (MinUHasselt) van de overheidsbijdrage in de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. Als uit de berekeningen blijkt dat het procentueel aandeel van de UHasselt in de totale overheidsbijdrage aan het Bijzonder Onderzoeksfonds meer bedraagt dan de vastgelegde minimumdrempel, komt de overheidsbijdrage aan het Bijzonder Onderzoeksfonds van de UHasselt overeen met het berekende percentage.
Het percentage van de totale overheidsbijdrage dat elke universiteit ontvangt, wordt als volgt berekend :
1° formule 1 : PER_KUB = MAX (MinKUB; BER_KUB)
2° formule 2 : PER_UHasselt = MAX (MinUHasselt; BER_UHasselt)
3° formule 3 : COR = (1 – PER_KUB x dKUB – PER_UHasselt x dHas )/(1 – BER_KUB x dKUB – BER_UHasselt x dHas), waarbij :
a) dKUB = 0 als BER_KUB > 0,0023 en dKUB =1 in het andere geval;
b) dHas = 0 als BER_UHasselt > 0,0216 en dHas = 1 in het andere geval.
4° formule 4 : PERu = BERu x COR, waarbij :
a) PERu : het percentage van het te verdelen bedrag dat gaat naar universiteit u;
b) COR : de correctie ten gevolge van het niet overschrijden van de minimumdrempel door de Katholieke Universiteit Brussel en/of UHasselt.
Het percentage van de totale overheidsbijdrage dat elke universiteit ontvangt, wordt berekend aan de hand van het volgende recursief algoritme :
1° doorloop formule 1 tot formule 4;
2° ga naar 5° als PER_KUB => 0,0023 en PER_UHasselt => 0,0216;
3° Stel BER_KUB = PER_KUB als PER_KUB < 0.0023 en BER_UHasselt = PER_UHasselt als PER_UHasselt < 0,0216;
4° Ga naar 1°;
5° Stop. »;
11° in § 12 worden na de woorden “initiële masterdiploma’s” de woorden “inclusief tweedecyclusdiploma’s,” toegevoegd;
12° in § 13 worden de woorden “Steunpunt O&O Statistieken” vervangen door de woorden “Steunpunt O&O-Indicatoren”;
13° in § 13 worden de zinnen “Het steunpunt legt de gegevens ter validatie voor aan de stuurgroep, die door de Vlaamse Regering bij dit steunpunt werd ingesteld. In geval de stuurgroep geen consensus bereikt over de validatie, neemt de minister bevoegd voor hoger onderwijs de beslissing. De minister deelt de beslissingen mee aan de universiteiten en aan het steunpunt. » geschrapt;
14° er worden een § 14, § 15 en § 16 toegevoegd, die luiden als volgt :
” § 14. Voor de verdeling van de overheidsbijdrage aan het Bijzonder Onderzoeksfonds van het begrotingsjaar 2008 worden de gegevens van onderdeel B over alle jaren waarvoor ze worden verzameld, eenmalig gevalideerd. Daartoe bezorgen de universiteiten aan het Steunpunt O&O-Indicatoren de gegevens van de publicaties die zijn verwerkt in de bronbestanden, vermeld in artikel 1, 1°, maar die niet zijn opgenomen in de door het Steunpunt O&O-Indicatoren aangemaakte gegevensbestanden. Het Steunpunt O&O-Indicatoren onderzoekt uitgaande van de oorspronkelijke datasets of :
1° de gemelde publicatie vergeten was bij een vorige validatie;
2° de gemelde publicatie later toegevoegd werd door de producent van de bronbestanden bij de backlogaanpassingen.
Alleen de publicaties, vermeld in punt 1°, worden in aanmerking genomen bij de hervalidatie. Er wordt ook telkens nagegaan door het Steunpunt O&O-Indicatoren op welk moment de producent een publicatie via de backlog heeft toegevoegd zodat steeds op objectieve gronden kan worden aangetoond wanneer de databaseproducent een publicatie buiten het gehanteerde tijdsvenster heeft toegevoegd. Het Steunpunt O&O-Indicatoren legt die gegevens ter validatie voor aan de stuurgroep, die door de Vlaamse Regering bij het steunpunt werd ingesteld. Als de stuurgroep geen consensus bereikt over de validatie, neemt de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid, een beslissing. De minister deelt de beslissingen mee aan de universiteiten en aan het Steunpunt O&O-Indicatoren.
§ 15. Vanaf het begrotingsjaar 2009 legt het Steunpunt O&O-Indicatoren de gegevens voor de berekening van het onderdeel B die betrekking hebben op het laatste en voorlaatste jaar ter validatie voor aan de stuurgroep, die door de Vlaamse Regering bij het steunpunt werd ingesteld. Als de stuurgroep geen consensus bereikt over de validatie, neemt de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid een beslissing. De minister deelt de beslissingen mee aan de universiteiten en aan het Steunpunt O&O-Indicatoren.
§ 16. De universiteiten worden in staat gesteld om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen, die ingaat de dag na de goedkeuring van de gevalideerde gegevens zoals bepaald in § 14 en § 15. In het bijzonder wordt het recht geregeld om zich bij de behartiging van zijn belangen in het verkeer met het Steunpunt O&O-Indicatoren te laten bijstaan door een raadsman. Het Steunpunt O&O-Indicatoren bepaalt ten laatste 3 maanden na de inwerkingtreding van dit besluit de procedurele regelen overeenkomstig dewelke de bezwaren en de opmerkingen worden behandeld. Deze procedurele regelen worden bekrachtigd door de Vlaamse Regering. Het Steunpunt O&O-Indicatoren richt hiertoe een bezwarencommissie op, die een advies formuleert aan het Steunpunt O&O-Indicatoren. Ingeval het Steunpunt O&O-Indicatoren geen consensus bereikt over de behandeling van het bezwaar, neemt de minister bevoegd voor wetenschaps- en innovatiebeleid een beslissing. De minister deelt de beslissing mee aan de universiteiten en aan het Steunpunt O&O-Indicatoren. »
Art. 5. In hetzelfde besluit wordt een artikel 3bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
“Art. 3bis. De jaarlijkse graduele verhoging respectievelijk afbouw van het gewicht van de citaties binnen het onderdeel B, vermeld in artikel VI.9.18, § 2, tweede lid, van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, bedraagt 0,05 en dit tot ten hoogste 0,70 in het geval van verhoging en tot het initiële gewicht van 0,50 in het geval van afbouw. »
Art. 6. In hetzelfde besluit wordt een artikel 4bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
“Art. 4bis. In uitvoering van artikel 168 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap legt de Vlaamse Regering jaarlijks de verdeelsleutel, vermeld in artikel 3, § 1, en het indexeringspercentage, vermeld in artikel 2, § 2, vast en maakt de overheidsbijdrage aan het Bijzondere Onderzoeksfonds bekend die elke universiteit ontvangt waarbij voor de begrotingsjaren 2008 en 2009 de opgenomen en geïndexeerde bedragen, vermeld in artikel 4, § 1, afzonderlijk worden vermeld. »
Art. 7. Artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 8 december 2006, wordt vervangen door wat volgt :
“Art. 6. § 1 Vanaf het begrotingsjaar 2007 voegt het universiteitsbestuur, vanuit de aan de universiteit ter beschikking staande middelen, inclusief de gewone werkingsuitkeringen, een bedrag toe aan het Bijzonder Onderzoeksfonds, dat ten minste gelijk is aan het met toepassing van artikel 2, § 2, geïndexeerde bedrag van de eigen aanvullende bijdrage, die in 2006 werd toegekend.
§ 2. In het begrotingsjaar 2008 mag het universiteitsbestuur, overeenkomstig artikel 6, § 4, van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen, een aanvullend bedrag van maximaal 29,50 % van de middelen van het Bijzonder Onderzoeksfonds transfereren naar de werkingsuitkering voor de dekking van de gewone uitgaven, op voorwaarde dat het bedrag bestemd wordt voor :
1° de loonkosten van de voltijdse leden van het zelfstandig academisch personeel die werden aangesteld of benoemd voor 1 januari 2007, en overeenkomstig een door het universiteitsbestuur bepaalde regeling in hoofdzaak een onderzoeksopdracht en daarnaast slechts een beperkte onderwijsopdracht ten belope van ten hoogste zestig lesuur per semester toegewezen krijgen;
2° de loonkosten van de leden van het zelfstandig academisch personeel met een minimale aanstellingsomvang van 80 %, die overeenkomstig een door het universiteitsbestuur bepaalde regeling in hoofdzaak een onderzoeksopdracht en daarnaast slechts een beperkte onderwijsopdracht in de vorm van hoorcolleges of seminaries, van ten hoogste zestig lesuur per semester, gemiddeld over drie jaar, toegewezen krijgen;
3° de loonkosten van leden van het zelfstandig academisch personeel aangesteld in de graad van docent in het tenure track stelsel, vermeld in artikel 64, tweede lid, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008 betreffende het onderwijs XVIII;
4° de gewone uitgaven, in het bijzonder de werking van de diensten voor onderzoekscoördinatie. Daarvoor mag maximaal 2 % van de middelen van het Bijzonder Onderzoeksfonds uitgetrokken worden.
Vanaf het begrotingsjaar 2009 bepaalt de Vlaamse Regering jaarlijks het maximale percentage van de middelen van het Bijzonder Onderzoeksfonds dat mag worden getransfereerd met dien verstande dat het percentage nooit lager kan zijn dan het percentage van het vorige begrotingsjaar.
§ 3. Vanaf het begrotingsjaar 2009 kunnen de ter uitvoering van § 2, 2°, getransfereerde middelen niet meer worden aangewend voor de dekking van de loonkosten van leden van het zelfstandig academisch personeel die vanaf 2009 voor het eerst worden aangesteld of benoemd in de graad van docent, tenzij het docenten in het tenure track stelsel betreft.
§ 4. De docenten in het tenure track stelsel, van wie de loonkosten ter uitvoering van § 2, 3°, worden getransfereerd, moeten aan de volgende criteria voldoen :
1° ze zijn op het ogenblik van de aanstelling minder dan zeven jaar gepromoveerd;
2° hun aanstelling heeft minstens een omvang van 0,80 VTE. »
Art. 8. In artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 januari 2003 en van 8 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in 2° worden de woorden “ten minste 27 %” vervangen door “een gedeelte”;
2° in 2° worden de woorden”, zonder de bedragen die nodig zijn voor de aanschaf van apparatuur en de installatie ervan” geschrapt;
3° in 3° worden de woorden “ten minste 18 %” vervangen door de woorden “een gedeelte”;
4° in 3° worden de woorden”, zonder de bedragen die nodig zijn voor de aanschaf van apparatuur en de installatie ervan” geschrapt;
5° in het derde lid worden de woorden “2°, 3°, 4°, 6° en 7°” vervangen door de woorden “2°, 3°, 4° en 6°”.
Art. 9. In artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden “artikel 6, § 3″ worden vervangen door “artikel 6, § 2, 2°”;
2° de woorden “voltijdse ZAP-mandaten” worden vervangen door “ZAP-mandaten met een minimale aanstellingsomvang van 80 %,”;
3° de woorden “ten belope van ten hoogste 9 studiepunten op jaarbasis” worden vervangen door de woorden “in de vorm van hoorcolleges en seminaries, ten belope van ten hoogste zestig lesuur per semester, gemiddeld over drie jaar. »;
4° het derde gedachtestreepje wordt vervangen door wat volgt :
“- die middelen kunnen worden besteed aan aansluitend hernieuwbare mandaten met een looptijd tussen één en vijf jaar. De maximale totale looptijd is tien jaar, uitgezonderd voor de mandaten bedoeld in artikel 15, waarvan de totale looptijd meer dan 10 jaar mag bedragen. »
Art. 10. In artikel 10, § 1, 2°, van hetzelfde besluit, worden de woorden “voor wat de Universiteit Antwerpen betreft beslist de Raad UA inzake de toewijzing van de middelen van het Bijzonder Onderzoeksfonds op advies van de gemeenschappelijke onderzoeksraad Universiteit Antwerpen” opgeheven.
Art. 11. In artikel 11, § 2, van hetzelfde besluit worden de woorden “artikel 6 § 3″ vervangen door de woorden “artikel 6, § 2,”.
Art. 12. In artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 januari 2003 en van 8 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
” § 1. Het universiteitsbestuur rapporteert jaarlijks over het gebruik van de middelen van het Bijzonder Onderzoeksfonds overeenkomstig de voorschriften daarover, vermeld in het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen en in het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 betreffende de boekhouding, de jaarrekening, het rekeningenstelsel en de controle voor de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. »;
2° in § 4 wordt de zin “Een belangrijk element bij de beoordeling is de kwaliteit van de geproduceerde doctoraatsproefschriften. » vervangen door de zin : “Een belangrijk punt van aandacht in de externe beoordeling is de wijze waarop de universiteiten de kwaliteit van de doctoraatsvoorbereiding bewaken en verbeteren. »;
3° er wordt een § 6 toegevoegd, die luidt als volgt :
” § 6. Bij de evaluatie van het tenure track stelsel, vermeld in artikel 64, tweede lid, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, wordt bijzondere aandacht besteed aan de ontwikkeling van de verhouding tussen het aantal docenten in het tenure track stelsel en het totale aantal docenten, aan de invloed van het tenure track stelsel op de blijvende verhoging van het aantal ZAP-vacatures, en aan de beoordelingswijze van de mandaathouders in het tenure track stelsel. »
Art. 13. In artikel 13 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
” § 1. De opbrengsten en de kosten van het Bijzonder Onderzoeksfonds worden elk jaar verwerkt in de algemene boekhouding en in de jaarrekening van de universiteiten volgens de voorschriften van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 betreffende de boekhouding, de jaarrekening, het rekeningenstelsel en de controle voor de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. »;
2° in § 2 worden de woorden “de percentages bedoeld in artikel 8, 2°, 3° en 6° en artikel 6, 3°” vervangen door de woorden “het percentage, vermeld in artikel 8, 6°”.
Art. 14. Aan artikel 14ter, § 6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
“De overheadkosten kunnen worden besteed aan de vergoeding van kosten (werkingskosten en loonkosten) die rechtstreeks verbonden zijn aan het beheer van de ten laste van de Methusalemmiddelen bekostigde onderzoeksprojecten, of aan de vergoeding van centrale beheerskosten en algemene exploitatiekosten van de universiteit. »
Art. 15. In artikel 14novies, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006, worden de woorden “vanaf het vierde jaar” vervangen door de woorden “vanaf het derde jaar”.
Art. 16. In artikel 15 van hetzelfde besluit worden de woorden “artikel 6 § 3″ vervangen door de woorden “artikel 6, § 2,”.
Art. 17. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2008.
Art. 18. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en het technologisch innovatiebeleid, zijn belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 12 december 2008.

Gepost door: pingelaere | december 11, 2006

Doel van deze blog

Doel van deze blog: verzamelpunt van actualiteiten inzake regelgeving met betrekking tot Vlaamse universiteiten.

Gepost door: pingelaere | december 11, 2006

besluit industrieel onderzoeksfonds

Na advies van de Raad van State keurde de Vlaamse Regering op 8 december 2006 definitief het besluit goed over de ondersteuning van de Industriële Onderzoeksfondsen (IOF) in 2006 en 2007. Met dit besluit wordt een reglementaire basis gecreëerd voor de toekenning en verdeling van de industriële onderzoeksfondsen in 2006 en 2007. Er worden een aantal accentverschuivingen aangebracht om de rol van de hogescholen te versterken. Daarnaast wordt een evaluatie van de besteding van deze middelen voorzien tegen eind 2007 met het oog op een nieuw organiek besluit. In het nieuwe besluit is de mogelijkheid voorzien om de middelen toe te kennen aan de universiteit of aan de associatie

Decreet van 16 juni 2006 tot instelling van een aantal maatregelen tot herstructurering en flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (1)

(Belgisch Staatsblad, 12 oktober 2006)

Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :
Decreet tot instelling van een aantal maatregelen tot herstructurering en flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
HOOFDSTUK I. – Wijzigingen in het decreet van 4 april 2003
betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen
Art. 2. In artikel 2 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen de getallen « 57, » en « 58 » wordt het getal « 57bis, » ingevoegd;
2° tussen de getallen « 60, » en « 61 » worden de getallen « 60bis, 60ter, 60quater, 60quinquies, 60sexies, 60septies, » ingevoegd.
Art. 3. In artikel 3 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2004, wordt tussen het zevende en het achtste streepje een nieuw streepje ingevoegd, dat luidt als volgt :
« – onderwijsbevoegdheid :
a) de studiegebieden,
b) de delen van studiegebieden,
c) de combinaties van studiegebieden,
d) de combinaties van delen van studiegebieden,
e) de combinaties van studiegebieden met delen van studiegebieden,
waarin de ambtshalve geregistreerde instellingen krachtens dit decreet opleidingen kunnen aanbieden; ».
Art. 4. In artikel 4, 3°, b), artikel 24, § 2, artikel 28, § 2, artikel 97 en artikel 133, § 5, van hetzelfde decreet worden de woorden « het Limburgs Universitair Centrum » telkens vervangen door de woorden « de Universiteit Hasselt ».
Art. 5. In artikel 5, 4°, en artikel 35 van hetzelfde decreet worden de woorden « Groep T-Hogeschool Leuven » vervangen door de woorden « Groep T-Leuven Hogeschool ».
Art. 6. In artikel 5, 8°, en artikel 39 van hetzelfde decreet wordt voor de woorden « Hogeschool Limburg » telkens het woord « XIOS » ingevoegd.
Art. 7. Aan artikel 9 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 maart 2004, wordt een § 3 toegevoegd die luidt als volgt :
« § 3. Elk jaar vóór 1 mei bezorgt de Vlaamse Regering het verslag van de werkzaamheden van de Erkenningscommissie van het voorgaande kalenderjaar aan het Vlaams Parlement. ».
Art. 8. Aan artikel 9bis, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 maart 2004 en gewijzigd bij het decreet van 30 april 2004, wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 5° op verzoek van het instellingsbestuur over een voorgestelde wijziging van de benaming, de aard en de taal van een opleiding in het Hoger Onderwijsregister. ».
Art. 9. In artikel 23, §§ 1 en 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 maart 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 3° worden de woorden « , en nautische wetenschappen » geschrapt;
2° een punt 10° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 10° Nautische wetenschappen. ».
Art. 10. In artikel 24, § 1, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 11° worden de woorden « Lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen en kinesitherapie » vervangen door de woorden « Bewegings- en revalidatiewetenschappen »;
2° een punt 20° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 20° Verkeerskunde. ».
Art. 11. In artikel 24, § 3, van hetzelfde decreet wordt de tweede zin van het eerste lid geschrapt.
Art. 12. In artikel 24ter van hetzelfde decreet worden na de woorden « Muziek en podiumkunsten » de woorden « , Nautische wetenschappen » ingevoegd.
Art. 13. In hetzelfde decreet wordt een nieuw artikel 24quater ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 24quater. Eén of meer universiteiten en één of meer hogescholen kunnen over de studiegebieden Economische en Toegepaste Economische Wetenschappen en Handelswetenschappen en Bedrijfskunde heen in het academisch onderwijs gezamenlijke bachelors- en mastersopleidingen die aansluiten bij die bachelorsopleidingen, organiseren.
De betrokken universiteiten en hogescholen reiken gezamenlijk het diploma uit en verlenen de gezamenlijke graad van bachelor of master aan de studenten die met succes de gezamenlijk georganiseerde opleiding hebben voltooid.
De betrokken universiteiten en hogescholen moeten wel de bevoegdheid hebben om de betreffende graden in de genoemde studiegebieden binnen de geografische omschrijving te verlenen.
Deze gezamenlijke opleidingen kunnen ten vroegste starten vanaf het academiejaar 2008-2009 nadat de Vlaamse Regering op grond van de voortgangstoets bedoeld in artikel 124, § 2, tweede lid, heeft vastgesteld dat de wetenschappelijke ondersteuning en de verwevenheid van het onderwijs met wetenschappelijk onderzoek van de betreffende hogeschoolopleiding van voldoende niveau en kwaliteit is.
De betrokken universiteiten en hogescholen sluiten een overeenkomst over de gezamenlijke organisatie van de opleiding. Vanaf het academiejaar 2013-2014 wordt de gezamenlijke opleiding toegewezen aan één universiteit of hogeschool die vanaf dan het diploma uitreikt en de graad verleent.
In een overeenkomst kunnen de betrokken universiteiten en hogescholen afspraken maken over de inbreng van de andere instellingen in het opleidingsprogramma in de vorm van gezamenlijke organisatie van onderwijs- en studieactiviteiten, onderzoek en dienstverlening en over de detachering van personeelsleden in toepassing van artikel 95. ».
Art. 14. In artikel 25, § 3, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 maart 2004, worden de woorden « , en nautische wetenschappen » geschrapt.
Art. 15. In artikel 27, § 1, 11°, artikel 30, 10°, en artikel 31, 10°, van hetzelfde decreet worden de woorden « Lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen en kinesitherapie » vervangen door de woorden « Bewegings- en revalidatiewetenschappen ».
Art. 16. Aan artikel 28, § 1, van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Daarnaast kan de tUL een academisch gerichte opleiding aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden van bachelor en master verlenen in het studiegebied Rechten. ».
Art. 17. In de artikelen 32, 34, 35, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 49, 50 en 52 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 maart 2004, worden de woorden « , en nautische wetenschappen » geschrapt.
Art. 18. In artikel 34 van hetzelfde decreet wordt 6° vervangen door wat volgt :
« 6° Muziek en podiumkunsten, waarvoor :
a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;
b) binnen een associatie in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend; ».
Art. 19. In artikel 36 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 maart 2004, worden de woorden « Industriële wetenschappen en technologie, en nautische wetenschappen » vervangen door de woorden « Nautische wetenschappen ».
Art. 20. In artikel 53 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 6° wordt punt 7°;
2° een nieuw punt 6° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 6° Muziek en podiumkunsten, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend; ».
Art. 21. Aan hoofdstuk III, afdeling 1, onderafdeling 5, van hetzelfde decreet wordt een artikel 53bis toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 53bis. De ambtshalve geregistreerde instellingen kunnen de opleidingen die ze bij of krachtens dit decreet mogen aanbieden ook organiseren buiten het Belgische grondgebied en de daarop betrekking hebbende graden verlenen op voorwaarde dat :
1° die opleidingen afzonderlijk geaccrediteerd werden of erkend zijn als nieuwe opleidingen overeenkomstig dit decreet;
2° die opleidingen voldoen aan de wettelijke bepalingen van het land van vestiging;
3° de opleidingen afzonderlijk worden geregistreerd in het Hoger Onderwijsregister;
4° de kosten van die opleidingen integraal gedekt worden met andere middelen dan de middelen uit de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.
De in het vorige lid vermelde eerste voorwaarde geldt niet voor de voortgezette (academische) opleidingen in afbouw. ».
Art. 22. Aan artikel 57, § 2, van hetzelfde decreet wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Voor het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen kan voor het graduaat in de gezinswetenschappen waarvan het visitatierapport dateert van 30 juni 2005, de in het tweede lid bepaalde termijn per uitzonderingsmaatregel worden verlengd tot 18 maanden. ».
Art. 23. In artikel 57bis, § 2, derde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 maart 2004, worden tussen de woorden « voor wat betreft de geregistreerde instellingen » en « tot stand als volgt » de woorden « en de in artikel 93, § 1bis, vermelde opleidingen » ingevoegd.
Art. 24. Aan artikel 57bis, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 maart 2004, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« De in het derde lid, 3°, vermelde erkenning van een evaluatieorgaan kan worden beperkt tot een of meer opleidingen. Het evaluatieorgaan geeft in de erkenningsaanvraag aan voor welke opleiding(en) het de erkenning aanvraagt. ».
Art. 25. Aan artikel 57bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 maart 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt een § 2bis toegevoegd, die luidt als volgt :
« § 2bis. Deze paragraaf is van toepassing op gezamenlijke opleidingen, georganiseerd door een Vlaamse instelling voor hoger onderwijs samen met een of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs, die bij succesvolle voltooiing ervan leiden tot een gezamenlijk diploma in de zin van artikel 94, § 3.
De externe beoordeling, vermeld in § 2, kan, voor de gehele opleiding of voor het deel van het opleidingsprogramma dat verzorgd wordt door de partnerinstelling(en), vervangen worden door één van de volgende beoordelingen :
1° een door een evaluatieorgaan uitgevoerde externe beoordeling die voldoet aan de European Standards for the External Quality Assurance of Higher Education;
2° een door een ander accreditatieorgaan verleende accreditatie die betrekking heeft op de gehele opleiding of op het deel van het opleidingsprogramma dat verzorgd wordt door de partnerinstelling(en) en die bij overeenkomstige toepassing van artikel 60sexies, eerste lid, als equivalent wordt erkend;
3° andere relevante stukken waarbij het instellingsbestuur inzichtelijk maakt dat het deel van het opleidingsprogramma dat verzorgd wordt door de partnerinstelling(en) de generieke kwaliteitswaarborgen in de zin van artikel 58 biedt zodat de studenten bij het voltooien van de gehele opleiding de leerresultaten vermeld in artikel 58, § 2, bereikt hebben. »;
2° er wordt een § 2ter ingevoegd, die luidt als volgt :
« § 2ter. In afwijking van het bepaalde in § 2, derde lid, 3°, worden de Vlaamse Interuniversitaire Raad en de Vlaamse Hogescholenraad geacht een erkend evaluatieorgaan te zijn ingeval ze optreden als evaluatieorgaan ten aanzien van visitaties in geregistreerde instellingen. ».
Art. 26. Aan hoofdstuk III, afdeling 2, onderafdeling 2, sectie 1, van hetzelfde decreet wordt een artikel 57ter toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 57ter. § 1. De centra voor volwassenenonderwijs kunnen de accreditatie aanvragen voor de opleidingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van de opleidingen van het pedagogisch hoger onderwijs, die ze in het academiejaar 2003-2004 hebben georganiseerd. Het accreditatieproces verloopt overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling die gelden voor de ambtshalve geregistreerde instellingen.
§ 2. Een opleiding die de accreditatie of de tijdelijke erkenning verwerft, moet worden overgedragen aan een ambtshalve geregistreerde instelling die de overeenkomstige onderwijsbevoegdheid en territoriale bevoegdheid heeft.
De overdracht van de opleiding kan plaatsvinden vanaf het ogenblik van de accreditatie c.q. de tijdelijke erkenning en moet voltrokken zijn uiterlijk op 31 augustus van het jaar dat volgt op het jaar van de accreditatie c.q. de tijdelijke erkenning.
Van de territorialiteitsvoorwaarde als bedoeld in het eerste lid, kan worden afgeweken in het overdrachtsprotocol, als bedoeld in § 4. In geval van toepassing van § 3 kan deze afwijking reeds worden vastgelegd in de intentieverklaring. De afwijking heeft in dit geval pas uitwerking met de eigenlijke overdracht. Als voorwaarde geldt dat :
1° de afwijking op de territorialiteitsvoorwaarde wordt gemotiveerd;
2° de afwijking op de territorialiteitsvoorwaarde wordt bekrachtigd door het Vlaams Parlement;
3° de opleiding slechts op één plaats wordt aangeboden.
§ 3. Indien de overdracht van de opleiding niet op het ogenblik van de accreditatie plaatsvindt, leggen het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs en de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling hun principiële overeenstemming over de overdracht van de opleiding in een intentieverklaring neer. Deze intentieverklaring bevat minimaal de datum waarop de overdracht van de geaccrediteerde opleiding zal plaatsvinden en de engagementen van de ambtshalve geregistreerde instelling waaraan de opleiding wordt overgedragen. Deze intentieverklaring wordt ter bekrachtiging voorgelegd aan de Vlaamse Regering.
§ 4. Ter regeling van de overdracht van de opleiding sluiten het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs en de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling in ieder geval een protocol, als vermeld in artikel 125bis 2, § 2.
§ 5. Indien de overdracht van de opleiding niet op het ogenblik van de accreditatie plaatsvindt, reiken het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs en de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling, bij wijze van overgangsmaatregel en in afwijking van artikel 14 van dit decreet, gezamenlijk een diploma van de graad van bachelor uit na de succesvolle voltooiing van de opleiding die de accreditatie of de tijdelijke erkenning heeft verworven.
De gezamenlijke diplomering is slechts mogelijk vanaf de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van de in § 3 bedoelde intentieverklaring en zolang de overdracht van de opleiding naar de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling niet is gerealiseerd.
In ieder geval verliezen het centrum voor volwassenenonderwijs en de ambtshalve geregistreerde instelling de uitzonderlijke mogelijkheid om gezamenlijk een diploma van de graad van bachelor uit te reiken als de overdracht van de opleiding niet binnen de in § 2 vermelde termijn is gerealiseerd. ».
Art. 27. Aan artikel 60, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 maart 2004, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« De termijn van vier maanden vermeld in het eerste lid, wordt verlengd tot zes maanden als de opmerkingen en de bezwaren van het instellingsbestuur van die aard zijn dat het accreditatieorgaan tot een bijkomend advies van deskundigen wordt genoopt. ».
Art. 28. In het opschrift van titel I, hoofdstuk III, afdeling 2, onderafdeling 2, sectie 7, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 maart 2004, worden de woorden « buitenlandse accreditaties » vervangen door de woorden « accreditaties verleend door andere accreditatieorganen ».
Art. 29. In artikel 60sexies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 maart 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden « buitenlandse accreditatie die het als equivalent erkent » vervangen door de woorden « als equivalent erkende accreditatie, verleend door een ander accreditatieorgaan »;
2° aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
« Tussen de datum waarop de als equivalent te erkennen accreditatie is uitgebracht en de datum van de accreditatieaanvraag bij het Accreditatieorgaan mag niet meer dan één jaar verlopen zijn. »;
3° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Als het Accreditatieorgaan meent dat een oordeel van een ander accreditatieorgaan niet voldoet aan de in artikel 3, tweede streepje, vermelde begripsomschrijving, kan de accreditatieprocedure desalniettemin worden voortgezet. Het oordeel wordt in dat geval beschouwd als een externe beoordeling. ».
Art. 30. Aan artikel 61, § 1, tweede lid, 4°, van hetzelfde decreet wordt een c) toegevoegd, dat luidt als volgt :
« c) de organisatie vanaf het academiejaar 2007-2008 van de nieuwe bachelors- en mastersopleiding Rechten aan de tUL, zoals bepaald in artikel 28, § 1. ».
Art. 31. In artikel 62 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 maart 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, eerste lid, wordt aan de eerste zin de volgende zinsnede toegevoegd :
« voor 1 april van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden. »;
2° in § 2, eerste lid, wordt de tweede zin geschrapt en worden een derde, vierde en vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
« Voor de Provinciale Hogeschool Limburg wordt voor een aanvraag die betrekking heeft op de opleidingen die ingericht worden in het academiejaar 2007-2008 binnen het studiegebied Muziek en podiumkunsten, de in het eerste lid vermelde datum verschoven naar 15 juni.
Voor de transnationale Universiteit Limburg wordt voor een aanvraag die betrekking heeft op de opleidingen die ingericht worden in het academiejaar 2007-2008 binnen het studiegebied Rechten, de in het eerste lid vermelde datum verschoven naar 15 juni.
Voor de Erasmushogeschool Brussel wordt voor een aanvraag die betrekking heeft op de professionele bacheloropleidingen die ingericht worden in het academiejaar 2007-2008 binnen het studiegebied Muziek en podiumkunsten, de in het eerste lid vermelde datum verschoven naar 15 juni. »;
3° aan § 3, eerste lid, 1°, wordt de volgende zinsnede toegevoegd :
« en in voorkomend geval de andere aanvragen van verwante nieuwe opleidingen. »;
4° in § 3 wordt het tweede lid vervangen door de volgende vier leden :
« De Erkenningscommissie brengt haar oordeel over de ingediende aanvragen uiterlijk uit op 1 juni van het kalenderjaar, vermeld in § 2, eerste lid.
Voor de Provinciale Hogeschool Limburg wordt voor een aanvraag die betrekking heeft op de opleidingen die ingericht worden in het academiejaar 2007-2008 binnen het studiegebied Muziek en podiumkunsten, de in het tweede lid vermelde datum verschoven naar 15 augustus.
Voor de transnationale Universiteit Limburg wordt voor een aanvraag die betrekking heeft op de opleidingen die ingericht worden in het academiejaar 2007-2008 binnen het studiegebied Rechten, de in het tweede lid vermelde datum verschoven naar 15 augustus.
Voor de Erasmushogeschool Brussel wordt voor een aanvraag die betrekking heeft op de professionele bacheloropleidingen die ingericht worden in het academiejaar 2007-2008 binnen het studiegebied Muziek en podiumkunsten, de in het tweede lid vermelde datum verschoven naar 15 augustus. »;
5° in § 6 wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
« De in het eerste lid vermelde vervaltermijn geldt niet ingeval van een herindiening van een aanvraag toets nieuwe opleiding bij het Accreditatieorgaan, nadat een initiële aanvraag, ingediend overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, op initiatief van het instellingsbestuur werd ingetrokken. Het positieve macrodoelmatigheidsoordeel van de Erkenningscommissie of, desgevallend, de Vlaamse Regering blijft in voorkomend geval slechts geldig onder één van de volgende voorwaarden :
1° als de intrekking is gebeurd binnen de in § 7, derde lid, vermelde termijn om na de ontvangst van het ontwerp van toetsingsrapport bezwaren en opmerkingen te formuleren, beschikt het instellingsbestuur over een vervaltermijn van zestig kalenderdagen om de aanvraag toets nieuwe opleiding opnieuw in te dienen bij het Accreditatieorgaan. De vervaltermijn gaat in op de dag na de betekening van het ontwerp van toetsingsrapport;
2° als de intrekking is gebeurd voor de betekening van een in § 7, derde lid, vermeld ontwerp van toetsingsrapport, beschikt het instellingsbestuur over een vervaltermijn van zestig kalenderdagen om de aanvraag toets nieuwe opleiding opnieuw in te dienen bij het Accreditatieorgaan. De vervaltermijn gaat in op de dag na de intrekking van de initiële aanvraag toets nieuwe opleiding. »;
6° aan § 7 worden een vierde en een vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
« De ordetermijn van vier maanden, vermeld in het eerste lid, wordt verlengd tot zes maanden ingeval de opmerkingen en de bezwaren van het instellingsbestuur van die aard zijn dat het Accreditatieorgaan tot een bijkomend advies van deskundigen wordt genoopt.
De ordetermijn van vier maanden, vermeld in het eerste lid, wordt ingeval van intrekking van een aanvraag toets nieuwe opleiding geschorst vanaf de intrekking van de aanvraag tot en met de datum van de betekening van de herindiening ervan. ».
Art. 32. In artikel 64, § 3, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
« De gegevens inzake gezamenlijke opleidingen worden aangeleverd door de coördinerende instelling. ».
Art. 33. Artikel 64, § 4, van hetzelfde decreet, opgeheven bij het decreet van 30 april 2004, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
« § 4. Voor wijzigingen in de benaming van een opleiding (kwalificatie), in de onderwijstaal van een opleiding, en in de aard (statuut) van de opleiding, dient het instellingsbestuur een aanvraag in bij de Erkenningscommissie. De aanvraag en het bijbehorende dossier voor de opleidingen die het daaropvolgende academiejaar georganiseerd worden, worden uiterlijk op 1 april bij de Erkenningscommissie ingediend. De Erkenningscommissie bepaalt de vorm en de inhoud van het dossier dat bij de aanvraag gevoegd moet worden. De Erkenningscommissie brengt een oordeel uit op basis van de volgende criteria :
1° de wijzigingen zijn niet zo substantieel dat er sprake is van een nieuwe opleiding;
2° de samenhang (transparantie) van de benamingen blijft bewaard;
3° de taalvereisten voor de opleidingen, bepaald in artikel 91, worden nageleefd.
De Erkenningscommissie brengt haar oordeel over de ingediende aanvragen uiterlijk op 1 mei van hetzelfde kalenderjaar uit. Ze bezorgt haar oordeel aan het instellingsbestuur, aan de instantie die belast is met de opmaak van het Hoger Onderwijsregister en aan het departement Onderwijs en Vorming.
Bij een negatief oordeel van de Erkenningscommissie, of als het oordeel niet tijdig wordt verstrekt, kan het instellingsbestuur binnen een vervaltermijn van vijftien kalenderdagen een tweede aanvraag indienen bij de Vlaamse Regering. De termijn voor de tweede aanvraag gaat in :
1° de dag na de datum van ontvangst van het negatieve oordeel;
2° de dag waarop de beoordelingstermijn voor de Erkenningscommissie is verstreken.
In het geval de instelling een tweede aanvraag indient, deelt de Vlaamse Regering haar beslissing aan het instellingsbestuur mee binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat de dag na de datum van ontvangst van de tweede aanvraag. Als de beslissing van de Vlaamse Regering niet wordt meegedeeld binnen die termijn van dertig kalenderdagen, wordt het voorstel van het instellingsbestuur geacht positief beoordeeld te zijn. ».
Art. 34. Aan artikel 68, § 5, van hetzelfde decreet wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Ze geldt evenmin voor personen die in het buitenland een diploma van arts of tandarts hebben behaald en die de toelating hebben om zich aan een universiteit in Vlaanderen in te schrijven voor een mastersopleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tandheelkunde. ».
Art. 35. In artikel 76 van hetzelfde decreet wordt de tweede zin vervangen door wat volgt :
« Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat de student vanaf het ogenblik van inschrijving het onderwijs- en examenreglement te allen tijde gemakkelijk kan raadplegen. Als een student er uitdrukkelijk om vraagt, is het instellingsbestuur ertoe gehouden een papieren kopie van het onderwijs- en examenreglement te overhandigen. ».
Art. 36. In artikel 78 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 4° wordt vervangen door wat volgt :
« 4° de wijze van samenstelling van de examencommissies en de wijze waarop de representativiteit van die commissies wordt gegarandeerd; »;
2° er wordt een punt 13° toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 13° of het mogelijk is om van opleidingsonderdelen waarvan het examen uit twee of meer onderdelen bestaat, de resultaten voor bepaalde examenonderdelen te behouden in een volgend academiejaar en de voorwaarden waaronder dit kan gebeuren. ».
Art. 37. In artikel 85, § 1, van hetzelfde decreet, zoals gewijzigd door het decreet van 30 april 2004, worden na de woorden « een bewijs van bekwaamheid » de woorden « en/of EVK’s » ingevoegd.
Art. 38. In artikel 86bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 30 april 2004, worden na de woorden « een bewijs van bekwaamheid » de woorden « en/of EVK’s » ingevoegd.
Art. 39. In artikel 93 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 maart 2004, wordt een § 1bis ingevoegd, die luidt als volgt :
« § 1bis. De bepalingen van §§ 2, 3, 3bis en 4 zijn niet van toepassing op de opleidingen waarvoor een beroep wordt gedaan op de in artikel 60sexies vermelde accreditatieprocedure. ».
Art. 40. In artikel 94 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2 worden na de woorden « de Franse Gemeenschap, » de woorden « het weze een hogeschool van de Duitstalige Gemeenschap, het weze de Koninklijke Militaire School in Brussel » ingevoegd;
2° in § 3 worden na de woorden « instellingen voor hoger onderwijs » de woorden « of met de Koninklijke Militaire School in Brussel » ingevoegd;
3° in § 3 wordt na de eerste zin een tweede en derde zin ingevoegd, die luiden als volgt :
« Een universiteit kan binnen de perken van haar onderwijsbevoegdheid met één of meer universiteiten van de Franse Gemeenschap een gezamenlijk diploma uitreiken en de betreffende graad van bachelor of master verlenen aan de student die met succes een door de betrokken instellingen gezamenlijke opleiding heeft voltooid. Een hogeschool kan binnen de perken van haar onderwijsbevoegdheid met één of meer hogescholen van de Franse of Duitstalige Gemeenschap een gezamenlijk diploma uitreiken en de betreffende graad van bachelor of master aan de student die met succes een door de betrokken instellingen gezamenlijke opleiding heeft voltooid. »;
4° in § 4 worden na de woorden « buitenlandse universiteit » de woorden « of met de Koninklijke Militaire School in Brussel » ingevoegd.
Art. 41. In artikel 95bis.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 30 april 2004, wordt het tweede lid vervangen door de volgende twee leden :
« In afwijking van het voorschrift dat de instellingen voor hoger onderwijs ten vroegste vanaf het academiejaar 2009-2010 nieuwe mastersopleidingen die aansluiten bij een academische bachelorsopleiding kunnen aanbieden, kunnen de instellingen voor hoger onderwijs nieuwe mastersopleidingen die aansluiten bij een academische bachelorsopleiding aanbieden vanaf het academiejaar 2005-2006, voor zover :
1° deze mastersopleidingen als mastersopleidingen van Erasmus Mundus werden geselecteerd, overeenkomstig het besluit nr. 2317/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 december 2003 tot invoering van een programma voor de verhoging van de kwaliteit van het hoger onderwijs en de bevordering van het intercultureel begrip door middel van samenwerking met derde landen (Erasmus Mundus) (2004-2008); én
2° de betreffende instellingen voor hoger onderwijs over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken.
Deze mastersopleidingen worden niet beschouwd als nieuwe opleidingen zoals bedoeld in artikel 60septies. Deze opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het vijfde academiejaar na de start van de opleiding. Deze overgangsaccreditatie vervalt als de Europese erkenning als mastersopleiding Erasmus Mundus vervalt. ».
Art. 42. Aan artikel 95bis.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 30 april 2004, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Het instellingsbestuur kan de inschrijving voor een Erasmus Mundus mastersopleiding wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid van de student om deze opleiding te volgen. ».
Art. 43. In artikel 130 van hetzelfde decreet wordt in de eerste zin de datum « 31 december 2005 » vervangen door de datum « 31 oktober 2007 ».
Art. 44. In artikel 138 van hetzelfde decreet worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
« § 1. De voorschriften, vermeld in hoofdstuk III van het universiteitendecreet, en de voorschriften, vastgesteld krachtens dit hoofdstuk, zijn als volgt van toepassing op de organisatie van de academische opleidingen en op de voortgezette academische opleidingen in afbouw :
1° artikelen 5, 6, 7, 8, 9, 19, 20, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 34, 34bis, 35, 36, 37, 39, 40bis, 49, 55, 58, 59, 60, 61 en 62 blijven onverkort van toepassing;
2° artikelen 7bis, 15bis, 33 en 40 blijven van toepassing;
3° artikelen 11, 12, 13, 14 en 15 blijven van toepassing met afschaffing van de verplichting om de opleidingen in studiejaren op te delen;
4° artikel 47 wordt vervangen door artikelen 94 tot en met 95 van dit decreet;
5° artikelen 8bis, 10, 17, 18, 21, 22, 32, 38, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 48, 50, 51, 52, 53, 54, 56 en 57 zijn niet meer van toepassing. In de plaats hiervan passen de universiteiten de overeenkomstige bepalingen toe van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen. »;
2° § 2 wordt vervangen door wat volgt :
« § 2. De voorschriften, vermeld in titel II van het hogescholendecreet, en de voorschriften, vastgesteld krachtens deze titel, zijn als volgt van toepassing op de organisatie van de basisopleidingen van één cyclus, de basisopleidingen van twee cycli en de voortgezette opleidingen in afbouw :
1° artikelen 5, 7, 8, 9, 10, 11, 13, 18, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 26ter, 42, 49, 51, 53 en 57 blijven onverkort van toepassing;
2° artikelen 12, 14, 15, 16, 17, 50, 58, 58bis, 59, 60, 61, 61bis, 62 en 63 zijn niet meer van toepassing;
3° artikelen 20bis, 20ter, 20quater, 20quinquies, 20sexies, 20septies, 20octies, 20novies, 26bis, 40bis en 40ter blijven van toepassing;
4° artikelen 36, 37, 38 en 40 blijven van toepassing, maar met een verwijzing naar de studieomvang, overeenkomstig het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen;
5° artikelen 57bis, 57ter, 57quater en 57quinquies blijven van toepassing;
6° artikelen 6, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 41, 43, 44, 45, 47, 48, 52, 54, 55 en 56 zijn niet meer van toepassing. In de plaats daarvan passen de hogescholen de overeenkomstige bepalingen toe van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen. »;
3° er wordt een § 3 toegevoegd die luidt als volgt :
« § 3. Instellingen kunnen de Vlaamse Regering verzoeken om bepaalde voorschriften vervat in hoofdstuk III van het universiteitendecreet, respectievelijk titel II van het hogescholendecreet die overeenkomstig § 1, respectievelijk § 2 met ingang van het academiejaar 2005-2006 vervangen worden door de overeenkomstige bepalingen van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen, toch nog te kunnen toepassen in het academiejaar 2005-2006.
Instellingen die in het academiejaar 2005-2006 van een dergelijke maatregel genieten, zijn ertoe gehouden § 1, respectievelijk § 2 onverkort toe te passen met ingang van het academiejaar 2006-2007. ».
Art. 45. In artikel 171 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden « 1 januari 2006 » worden vervangen door de woorden « 1 januari 2007 »;
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Indien een universiteit daartoe een gemotiveerd verzoek indient, kan de Vlaamse Regering de in het eerste lid bedoelde inwerkingtreding voor de verzoekende universiteit met één jaar uitstellen, tot 1 januari 2008. ».
HOOFDSTUK II. – Wijzigingen in het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen
Art. 46. In artikel II.7 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen wordt in het laatste lid het woord « examenbeslissingen » vervangen door het woord « studievoortgangsbeslissingen ».
Art. 47. In artikel II.17, § 1, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
« 1° een werkend en twee plaatsvervangende voorzitters »;
2° in punt 2° wordt het tweede woord « twee » vervangen door « vier »;
3° aan § 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Elk van de plaatsvervangende bijzitters mag elk van de werkende bijzitters vervangen. ».
HOOFDSTUK III. – Wijzigingen in het decreet van 30 april 2004
betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen
Art. 48. In artikel 2 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan punt 1° worden na de woorden « op grond van een creditbewijs » de woorden « , EVK’s » toegevoegd;
2° punt 5 wordt vervangen door wat volgt :
« 5° beursstudent : een student die :
a) voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 12 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap en beantwoordt aan de financiële criteria voor het verkrijgen van een studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of
b) onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische Ruimte en beantwoordt aan de financiële criteria voor het verkrijgen van een studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of
c) een DGOS-bursaal, een BTC-bursaal of een bursaal in de programma’s van de ontwikkelingssamenwerking van de Vlaamse Interuniversitaire Raad is; »;
3° punt 10° wordt opgeheven;
4° punt 25° wordt vervangen door wat volgt :
« 25° volgtijdelijkheid : de door het instellingsbestuur bepaalde regels inzake het gevolgd hebben van of het geslaagd zijn voor een opleidingsonderdeel of opleiding vooraleer een student een examen kan doen over een ander opleidingsonderdeel of een andere opleiding; ».
Art. 49. In artikel 10 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de eerste zin van § 1 worden de woorden « in een voorstel van reglement » vervangen door de woorden « in de onderwijsregeling »;
2° § 2 wordt vervangen door wat volgt :
« § 2. In het licht van het noodzakelijke evenwicht tussen de reglementen van de verschillende instellingen stemt het instellingsbestuur zijn afwijkende toelatingsvoorwaarden af op de algemene voorschriften inzake afwijkende toelatingsvoorwaarden die de associatie in een reglement heeft opgenomen. Deze laatste bepaling geldt niet voor het bestuur van een instelling die niet tot een associatie behoort. »;
3° er wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
« § 3. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de afwijkende toelatingsvoorwaarden opgenomen in de bestaande reglementen van de instellingen van toepassing tot de goedkeuring van het reglement van de associatie zoals bepaald in § 2. ».
Art. 50. Het tweede en het derde lid van artikel 13, § 2, worden vervangen door wat volgt :
« Het instellingsbestuur kan op grond van EVK’s of de resultaten van een bekwaamheidsonderzoek :
1° de studieomvang van een schakelprogramma differentiëren;
2° de minimale studieomvang van een schakelprogramma onder de 45 studiepunten vaststellen;
3° de student vrijstellen van de verplichting om een schakelprogramma te volgen. ».
Art. 51. In artikel 17, § 2, van hetzelfde decreet wordt na de eerste zin een zin ingevoegd, die luidt als volgt :
« Het instellingsbestuur kan de inschrijving wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de bekwaamheid van de student om de bachelors-na-bachelorsopleiding te volgen. ».
Art. 52. In artikel 18, § 2, van hetzelfde decreet wordt na de eerste zin een zin ingevoegd, die luidt als volgt :
« Het instellingsbestuur kan de inschrijving wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de bekwaamheid van de student om de masters-na-mastersopleiding te volgen. ».
Art. 53. In titel III, hoofdstuk III, afdeling 3, van hetzelfde decreet wordt een onderafdeling 4, bestaande uit een artikel 18bis, ingevoegd, die luidt als volgt :
« Onderafdeling 4. – Inschrijving afzonderlijke opleidingsonderdelen – creditcontracten – examencontracten
Artikel 18bis. Het instellingsbestuur kan studenten die niet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 8, inschrijven voor afzonderlijke opleidingsonderdelen onder een creditcontract of een examencontract op voorwaarde dat uit een onderzoek blijkt dat de betrokkene beschikt over de bekwaamheid om het opleidingsonderdeel of de opleidingsonderdelen goed te kunnen volgen. ».
Art. 54. Aan artikel 25 van hetzelfde decreet wordt de volgende zinnen toegevoegd, die luiden als volgt :
« De instellingen kunnen in hun onderwijsregeling vastleggen dat bepaalde opleidingsonderdelen wegens hun aard niet in aanmerking komen voor een examencontract. Dit dient te worden gemotiveerd. ».
Art. 55. In artikel 26 van hetzelfde decreet wordt § 3 vervangen door wat volgt :
« § 3. De instellingen bieden voor de bachelors-en de mastersopleidingen ten minste twee verschillende modeltrajecten qua studieomvang per academiejaar aan, waarvan ten minste één modeltraject met een studieomvang van 54 tot 66 studiepunten.
Die verplichting geldt niet voor de bachelors-na-bachelorsopleidingen en de masters-na-mastersopleidingen. ».
Art. 56. In artikel 29, § 2, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° na het woord « examenkansen » worden de woorden « in de loop van het academiejaar » toegevoegd;
2° in het tweede lid worden de woorden « tijdens hetzelfde academiejaar » geschrapt;
3° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« In dat geval moet de student zich voor het betreffende opleidingsonderdeel in een volgend academiejaar opnieuw inschrijven. ».
Art. 57. Artikel 37 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 58. In artikel 40 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de woorden « betreffende EVC’s en EVK’s » geschrapt;
2° § 2 wordt opgeheven.
Art. 59. In hetzelfde decreet wordt na artikel 40 een subsectie 2bis – Bewijs van bekwaamheid, ingevoegd, die bestaat uit een artikel 40bis, dat luidt als volgt :
« Subsectie 2bis. – Bewijs van bekwaamheid
Artikel 40bis. De validerende instantie kent een bewijs van bekwaamheid toe nadat de aanvrager het bekwaamheidsonderzoek met positief gevolg doorlopen heeft. Het betreffende document of de betreffende registratie vermeldt in elk geval :
1° de validerende instantie die het document uitreikt;
2° de associatie waaronder de validerende instantie ressorteert;
3° de gehanteerde standaarden;
4° de gebruikte methodologie;
5° de competenties die blijken uit het bekwaamheidsonderzoek. ».
Art. 60. Artikel 42 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 42. De in subsectie 1 tot en met 3 vermelde minimale regelen worden per associatie uitgewerkt in een reglement waarin de methodologische en procedurele garanties inzake het bekwaamheidsonderzoek zijn ingeschreven, evenals de beginselen inzake de in artikel 41, 5°, vermelde interne beroepsprocedure. ».
Art. 61. Artikel 43 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 43. De Vlaamse Regering evalueert elke vijf jaar de wijze waarop de associaties en instellingen omgaan met de kwaliteitsborging van hun EVC/EVK-procedures en de vrijstellingsprocedures zoals bepaald in deze afdeling. De eerste evaluatie vindt plaats voor 2009. De Vlaamse Regering werkt de nodige maatregelen uit om die evaluatie uit te voeren.
De kwaliteitsborging heeft betrekking op de transparantie, toegankelijkheid, betrouwbaarheid en regelmatigheid van de gehanteerde procedures en methoden.
De uitkomsten van de evaluatie worden samengebracht in een openbaar verslag.
Elk bestuur geeft gevolg aan de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling in zijn beleid. ».
Art. 62. In artikel 46 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° voor de woorden « Het instellingsbestuur » wordt de vermelding « § 1. » toegevoegd;
2° na de woorden « op grond van » worden de woorden « EVK’s en/of » ingevoegd;
3° er wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
« § 2. Het instellingsbestuur voert het onderzoek uit met het oog op het verlenen van vrijstellingen op stukken. »;
4° er wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
« § 3. Het instellingsbestuur kan in uitzonderlijke gevallen het onderzoek met het oog op het verlenen van vrijstellingen op grond van EVK’s laten verlopen via een bekwaamheidsonderzoek zoals bepaald in onderafdeling 1. In dat geval verwijst het instellingsbestuur de aanvrager door naar de validerende instantie op het niveau van de associatie waaronder het instellingsbestuur ressorteert. De instelling motiveert de noodzakelijkheid van dat bekwaamheidsonderzoek. ».
Art. 63. In artikel 47 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden het eerste lid en het inleidende zinsdeel van het tweede lid vervangen door wat volgt :
« In het licht van de noodzakelijke vergelijkbaarheid van de reglementen inzake vrijstelling leggen de associaties in een reglement algemene voorschriften vast voor het verlenen van vrijstellingen.
Die voorschriften zijn een nadere uitwerking van de volgende algemene beginselen : »;
2° § 2 wordt opgeheven;
3° § 3 wordt § 2;
4° de nieuwe § 2 wordt aangevuld met de volgende bepalingen :
« rekening houdend met de voorschriften die opgenomen zijn in het vrijstellingsreglement van de associatie. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de bestaande reglementen van de instellingen inzake vrijstelling van toepassing tot de goedkeuring van het reglement van de associatie zoals bepaald in § 1. Die laatste bepalingen gelden niet voor het bestuur van een instelling die niet tot een associatie behoort. ».
Art. 64. In artikel 51 van hetzelfde decreet worden in § 1 na de woorden « bewijs van bekwaamheid » de woorden « en/of EVK’s » ingevoegd.
Art. 65. In artikel 52 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° Aan § 1, 2°, wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Van deze mogelijkheid kan steeds gebruik worden gemaakt bij een onder creditcontract of examencontract met het oog op het behalen van individuele credits ingeschreven student die zich al tweemaal voor een bepaald opleidingsonderdeel heeft ingeschreven zonder dat hij daarvoor een creditbewijs heeft behaald. »;
2° § 2 wordt vervangen door wat volgt :
« § 2. Maatregelen van studievoortgangsbewaking als vermeld in § 1, 1°, kunnen worden opgelegd aan een onder diplomacontract ingeschreven student die na één academiejaar niet ten minste 50 % van de studiepunten heeft verworven waarop het diplomacontract betrekking heeft. ».
Art. 66. Aan artikel 54 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Deze titel is niet van toepassing op de instellingen die geen subsidies ontvangen van de Vlaamse Gemeenschap voor het verzorgen van het onderwijs. ».
Art. 67. In artikel 57, § 1, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt het woord « voltijds » geschrapt en wordt na het woord « studietraject » de woorden « van meer dan 53 studiepunten » toegevoegd;
2° in het tweede lid wordt het woord « deeltijds » geschrapt en wordt na het woord « studietraject » de woorden « van ten hoogste 53 studiepunten » toegevoegd.
Art. 68. Aan artikel 62, § 3, tweede lid, van het hetzelfde decreet wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 4° de opleiding wordt niet gefinancierd door het Vlaams ministerie van Onderwijs en vorming. ».
Art. 69. In artikel 68 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
« § 1. Voor een onderzoek betreffende EVK’s dat verloopt op stukken, zoals bepaald in artikel 46, § 2, kan geen bijdrage worden gevraagd. »;
2° § 2 wordt vervangen door wat volgt :
« § 2. De bijdrage voor een bekwaamheidsonderzoek dat de competenties van de aanvrager voor het hoger onderwijs test, bedraagt ten hoogste :
1° 590 euro, als het bekwaamheidsonderzoek betrekking heeft op het niveau van bachelor in het hoger professioneel onderwijs of het academisch onderwijs;
2° 770 euro, als het bekwaamheidsonderzoek betrekking heeft op het mastersniveau en de aanvrager nog niet beschikt over een diploma van een bachelorsopleiding;
3° 230 euro, als het bekwaamheidsonderzoek betrekking heeft op het mastersniveau en de aanvrager al beschikt over een diploma van een bachelorsopleiding.
Als het bekwaamheidsonderzoek betrekking heeft op afzonderlijke opleidingsonderdelen of een cluster van opleidingsonderdelen, worden die bedragen gedifferentieerd evenredig met de omvang ervan, een vast bedrag van 55 euro voor administratieve kosten buiten beschouwing gelaten. ».
Art. 70. Aan titel VI van hetzelfde decreet wordt een artikel 97bis toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 97bis. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 138, § 1, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen wordt voor de toepassing van dit decreet op de organisatie van de academische opleidingen en op de voortgezette academische opleidingen in afbouw vanaf het academiejaar 2005-2006 ook verstaan onder :
1° de bachelorsopleidingen en de mastersopleidingen die aansluiten op een bachelorsopleiding : de academische opleidingen;
2° de mastersopleidingen die volgen op andere mastersopleidingen : de voortgezette academische opleidingen.
§ 2. Met behoud van de toepassing van artikel 138, § 2, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen wordt voor de toepassing van dit decreet op de organisatie van de basisopleidingen van één cyclus en op de basisopleidingen van twee cycli in afbouw vanaf het academiejaar 2005-2006 ook verstaan onder :
1° de bachelorsopleidingen en de mastersopleidingen : de basisopleidingen;
2° de bachelorsopleidingen die volgen op een andere bachelorsopleiding en de mastersopleidingen die volgen op een andere mastersopleiding : de voortgezette opleidingen.
§ 3. De verplichting die opgenomen is in artikel 26, § 3, om ten minste twee verschillende modeltrajecten qua studieomvang per academiejaar aan te bieden geldt niet voor de opleidingen in afbouw. ».
Art. 71. Artikel 98, § 2, van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
HOOFDSTUK IV. – Wijzigingen in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap
Art. 72. In het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt het tweede lid van artikel 165 vervangen door de volgende bepaling :
« Een deeltijdse betrekking bedraagt ten minste 50 procent van een voltijdse betrekking, tenzij het personeelslid een verlof voor verminderde prestaties of een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden opneemt of wanneer het een vervanging betreft van een personeelslid dat een verlof voor verminderde prestaties of een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden opneemt. ».
Art. 73. In hetzelfde decreet wordt in artikel 179 een punt 17°bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
« 17°bis HOSP wordt verhoogd met een tweede forfaitair bedrag dat gelijk is aan de som van de bezoldigingen en vergoedingen die het Onderwijsdienstencentrum Hoger Onderwijs en Volwassenenonderwijs van het Vlaams ministerie van Onderwijs en vorming heeft betaald, gedurende het kalenderjaar dat voorafgaat aan de overdracht, aan de personeelsleden die werkzaam zijn in een opleiding zoals bedoeld in artikel 57ter van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen; ».
Art. 74. In artikel 243 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2 wordt het woord « A211 » vervangen door het woord « A214 », het woord « A214 » door het woord « A311 » en de woorden « bijlage 11 » telkens door de woorden « bijlage 5 »;
2° er wordt een § 3bis ingevoegd, die luidt als volgt :
« § 3bis. De ambtenaren bedoeld in artikel 242, § 1, die op 31 december 2005 ten minste 10 jaar met een opdracht als commissaris belast waren, worden met ingang van 1 januari 2006 door de Vlaamse Regering vast benoemd in het ambt van commissaris van de Vlaamse Regering bij de hogescholen.
De rechtspositieregeling van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid is op hen van toepassing. De Vlaamse Regering is gemachtigd met betrekking tot de commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen aanvullende of afwijkende rechtspositieregels vast te stellen. ».
Art. 75. In artikel 243 van hetzelfde decreet wordt § 4 vervangen door wat volgt :
« § 4. De commissaris-coördinator van de Vlaamse Regering bij de hogescholen wordt gedurende de eerste vier jaren van de opdracht bezoldigd op dezelfde wijze als de directeur-generaal bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Na vier jaren wordt de commissaris-coördinator bezoldigd op dezelfde wijze als de gewoon hoogleraar bij de hogescholen. Zijn/haar dienstjaren worden gelijkgesteld met academische dienstjaren. ».
Art. 76. In hetzelfde decreet wordt een artikel 307sexies ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 307sexies. § 1. Met behoud van de toepassing van artikelen 92 en 93 is de hogeschool die in toepassing van artikel 57ter van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen opleidingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie overneemt, verplicht werkgelegenheid te verschaffen aan de leden van het onderwijzend personeel van die overgenomen opleidingen, op voorwaarde dat die personeelsleden in de periode van 1 juni tot en met 30 juni van het kalenderjaar waarin de eerste accreditatie of de tijdelijke erkenning is verleend, tewerkgesteld zijn geweest in de opleiding in kwestie, en als die personeelsleden aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
1° uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar waarin de eerste accreditatie of de tijdelijke erkenning is verleend, werden ze vastbenoemd in hoofdambt of in bijbetrekking in de opleiding;
2° in de periode van 1 juni tot en met 30 juni van het kalenderjaar waarin de eerste accreditatie of de tijdelijke erkenning is verleend, zijn ze aangesteld geweest in een vacante betrekking als tijdelijke van doorlopende duur als lid van het onderwijzend personeel in de opleiding en werden ze als dusdanig door de Vlaamse Gemeenschap bezoldigd in hoofdambt, of konden ze het recht op dergelijke aanstelling van doorlopende duur in bedoelde periode doen gelden.
De hogeschool is verplicht die personeelsleden werkgelegenheid te verschaffen naar rato van het volume van de betrekking die zij in de overgenomen opleiding uitoefenden op de laatste dag van hun tewerkstelling in juni van het kalenderjaar dat voorafgaat aan de overdracht.
§ 2. De tijdelijke personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden vermeld in § 1, 2°, krijgen bij toewijzing van een betrekking in een ambt binnen de personeelsformatie, een aanstelling van onbepaalde duur, zoals bedoeld in artikel 124bis. ».
Art. 77. In hetzelfde decreet wordt een artikel 307septies ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 307septies. De benoemde personeelsleden krijgen op het moment van de overname door de hogeschool, zoals vermeld in artikel 57ter van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, een betrekking toegewezen in een ambt binnen de personeelsformatie van de hogeschool naar rato van het volume van de opdracht die zij in de overgenomen opleiding uitoefenden op 30 juni van het kalenderjaar dat voorafgaat aan de overdracht.
De hogeschool wijst de tijdelijke personeelsleden van doorlopende duur en de gerechtigden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur op het ogenblik van de overname een betrekking toe in een ambt binnen de personeelsformatie naar rato van het volume van de betrekking die zij in de overgenomen opleiding uitoefenden op de laatste dag van hun tewerkstelling in juni van het kalenderjaar dat voorafgaat aan de overdracht.
De in het eerste lid vermelde personeelsleden worden vanaf de overname personeelslid van de hogeschool en worden betaald ten laste van de werkingsuitkeringen van de hogeschool in kwestie. De overname van deze personeelsleden gebeurt op éénzelfde moment.
De rechtspositieregeling en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de hogescholen zijn op hen van toepassing, rekening houdend met de volgende overgangsmaatregelen :
1° de tijdelijke personeelsleden van doorlopende duur en de gerechtigden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur behouden de salarisschaal die zij op de laatste dag van hun tewerkstelling in de overgenomen opleiding genoten, tenzij de hogeschool hen inschaalt in een hogere salarisschaal;
2° de personeelsleden die op 30 juni van het kalenderjaar waarin de eerste accreditatie of de tijdelijke erkenning is verleend vastbenoemd waren in de opleiding in kwestie, worden op het ogenblik van de overname door de hogeschool benoemde personeelsleden van de hogeschool en behouden de salarisschaal die zij op 30 juni van het kalenderjaar waarin de eerste accreditatie of de tijdelijke erkenning is verleend, genoten voor hun betrekking in de overgenomen opleiding, tenzij de hogeschool hen inschaalt in een hogere salarisschaal;
3° de personeelsleden die in de periode van 1 juni tot en met 30 juni van het kalenderjaar waarin de eerste accreditatie of de tijdelijke erkenning is verleend, een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hadden of in die periode een recht op een dergelijke aanstelling, konden doen gelden, worden op het ogenblik van de overname door de hogeschool tijdelijke personeelsleden van de hogeschool. In afwijking van de bepalingen van artikel 122, § 2, en artikel 231 kan het hogeschoolbestuur de vermelde personeelsleden op hun verzoek benoemen voor het volume van de opdracht waarop zij aanspraak kunnen maken. Elk personeelslid dat benoemd wordt, moet in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs;
4° de personeelsleden die op 30 juni van het kalenderjaar waarin de eerste accreditatie of de tijdelijke erkenning is verleend vast benoemd waren, krijgen vanaf de overname een bezoldiging die gelijk is aan de optelsom van de salarissen die zij genoten voor de twee onderwijsopdrachten op de vooravond van de overname, op voorwaarde dat zij :
a) op 1 januari 1996 als lid van het onderwijzend personeel binnen de overnemende hogeschool van overgangsmaatregelen in de zin van artikel 318 konden genieten en als zodanig van 1 januari 1996 een betrekking binnen de personeelsformatie van de hogeschool opgenomen hebben;
b) uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar waarin de eerste accreditatie of de tijdelijke erkenning is verleend, voor een voltijdse opdracht als lid van het onderwijzend personeel benoemd waren in het betrokken centrum van het volwassenenonderwijs.
Bij wijziging van het opdrachtvolume wordt het salaris naar evenredigheid aangepast. ».
Art. 78. In hetzelfde decreet wordt een artikel 307octies ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 307octies. De hogeschool treedt in de rechten en de verplichtingen van de inrichtende macht van het gemeenschapsonderwijs met betrekking tot de opleidingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie die in toepassing van artikel 57ter van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen door de hogeschool zijn overgenomen. In de overname zijn begrepen alle rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige procedures. ».
HOOFDSTUK V. – Wijzigingen in het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool
Art. 79. In het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool wordt artikel 5 vervangen door wat volgt :
« Artikel 5. De Hogere Zeevaartschool kan in het studiegebied Nautische Wetenschappen de academische gerichte bachelors-en mastersopleiding Nautische wetenschappen en de professioneel gerichte bachelorsopleiding Scheepswerktuigkunde organiseren. ».
HOOFDSTUK VI. – Wijzigingen in het decreet van 2 maart 1999
tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs
Art. 80. In het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs wordt een artikel 48quinquies ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 48quinquies. § 1. Het aantal lesurencursist van de referteperiode vanaf 1 februari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan de overname tot en met 31 januari van het kalenderjaar van de overname van de opleidingen die overeenkomstig artikel 57ter van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen worden overgedragen naar de hogescholen, worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het lestijdenpakket van het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs voor het schooljaar dat aanvangt in het kalenderjaar van de overname.
§ 2. Het aantal lesurencursist van de referteperiode vanaf 1 februari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan de overname tot en met 31 januari van het kalenderjaar van de overname van de opleidingen die overeenkomstig artikel 57ter van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen worden overgedragen naar de hogescholen, worden in aanmerking genomen als basis voor de berekening van de ambten bestuurs- en ondersteunend personeel, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden voor de financiering of subsidiëring van de ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel van de centra voor volwassenenonderwijs, van het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs voor het schooljaar dat aanvangt in het kalenderjaar van de overname.
§ 3. Vanaf de referteperiode vanaf 1 februari van het kalenderjaar van de overname tot en met 31 januari van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van de overname worden de in de §§ 1 en 2 bedoelde aantal lesurencursist geheel of ten dele toegevoegd aan het aantal lesurencursist van het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs als basis voor de berekening van de ambten bestuurs- en ondersteunend personeel zolang en voor zover het aantal lesurencursist van het betrokken centrum niet groter wordt dan dit van de referteperiode vanaf 1 februari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan de overname tot en met 31 januari van het kalenderjaar van de overname. ».
Art. 81. Artikel 70bis van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° de huidige tekst wordt § 1;
2° er wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
« § 2. Het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten, zoals gewijzigd door het decreet van 13 april 1999, houdt op van toepassing te zijn op de opleidingen bedoeld in artikel 57ter van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, vanaf het ogenblik dat deze opleidingen de accreditatie hebben verworven. ».
HOOFDSTUK VII. – Wijzigingen in het decreet van 7 mei 2004
betreffende het Limburgs Universitair Centrum en de Hoge Raad voor het Hoger Onderwijs in Limburg
Art. 82. Aan artikel 27 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende het Limburgs Universitair Centrum en de Hoge Raad voor het Hoger Onderwijs in Limburg wordt een § 4 toegevoegd waarvan de tekst luidt als volgt :
« § 4. Personeelsleden van een universiteit of hogeschool die bezoldigd worden op de werkingsuitkeringen of ambtenaren van het ministerie of een instelling van de Vlaamse Gemeenschap die het mandaat opnemen, krijgen voor de duur van het mandaat een verlof voor de uitoefening van een mandaat waarvan het algemeen belang erkend wordt.
Het verlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Het wordt niet bezoldigd. ».
HOOFDSTUK VIII. – Opheffings- en inwerkingtredingsbepalingen
Art. 83. Het decreet van 4 april 1990 houdende instelling van een tweejaarlijkse prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor een werk over een wetenschappelijk onderwerp wordt opgeheven.
Art. 84. Dit decreet heeft uitwerking met ingang van het academiejaar 2005-2006, met uitzondering van artikel 27 en artikel 31, 5° en 6°, die uitwerking hebben op 1 februari 2005 en artikel 82 dat uitwerking heeft op 1 oktober 2004.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 16 juni 2006.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
Y. LETERME
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
_______
Nota
(1) Zitting 2005-2006.
Stukken. – Ontwerp van decreet, 804 – Nr. 1. – Amendementen, 804 – Nrs. 2 en 3. – In eerste lezing aangenomen artikelen, 804 – Nr. 4. – Verslag, 804 – Nr. 5. – Tekst aangenomen door de plenaire vergadering, 804 – Nr. 6.
Handelingen. – Bespreking en aanneming. Vergaderingen van 31 mei 2006.

Gepost door: pingelaere | april 9, 2006

invest in research

Gepost door: pingelaere | januari 15, 2006

decreetswijziging studentenvoorzieningen

Decreet van 18 november 2005 tot wijziging van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (1)

Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Decreet tot wijziging van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap

HOOFDSTUK I. – Algemene bepalingen

Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2. Aan artikel 6, 1°, van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :

« Als conform artikel 3, eerste streep, van het Structuurdecreet uitzonderlijk wordt afgeweken van bovenvermelde definitie, wordt voor de aanvraag van een studiefinanciering de opleiding die begint na 31 december en eindigt na 30 september beschouwd als behorend tot het academiejaar, zoals hierboven bepaald, waarin de opleiding eindigt; ».

Art. 3. In artikel 6, 7°, van hetzelfde decreet worden de woorden “artikel 1467″ vervangen door de woorden “artikel 1476″.

Art. 4. In artikel 6, 12°, van hetzelfde decreet worden de woorden “voor eigen woning” vervangen door de woorden “als eigen hoofdverblijfplaats”.

HOOFDSTUK II. – Studiefinanciering

Art. 5. Aan artikel 11, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt een 3° toegevoegd, dat luidt ais volgt :

« 3° de opleiding die geaccrediteerd, erkend als nieuwe opleiding of tijdelijk erkend is en valt onder het toepassingsgebied van artikel 86 of artikel 94 van het Structuurdecreet. ».

Art. 6. Artikel 12 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :

« Artikel 12 Studiefinanciering kan worden toegekend aan studenten met de Belgische nationaliteit en aan de volgende categorieën van studenten die in België verblijven :
1° kinderen van onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op basis van een arbeidsovereenkomst gedurende een periode van twee jaar en uiterlijk 31 december van het academiejaar in kwestie minstens twaalf maanden minstens 32 uur per maand in België werken of hebben gewerkt en die zich kunnen beroepen op artikel 12 van Verordening (EEG) 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, en kinderen van onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die gedurende een periode van twee jaar en uiterlijk 31 december van het academiejaar in kwestie in België werkzaamheden anders dan in loondienst verrichten of hébben verricht op basis van een inschrijving in de Kruispuntbank voor Ondernemingen of in het handelsregister;
2° onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op basis van een arbeidsovereenkomst gedurende een periode van twee jaar onmiddellijk voorafgaand aan 31 december van het academiejaar in kwestie minstens twaalf maanden minstens 32 uur per maand in België werken of hebben gewerkt en die zich kunnen beroepen op artikel 7 van Verordening (EEG) 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, en onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die gedurende een periode van twee jaar onmiddellijk voorafgaand aan 31 december van het academiejaar in kwestie in België werkzaamheden anders dan in loondienst verrichten of hebben verricht op basis van een inschrijving in de Kruispuntbank voor Ondernemingen;
3° onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gedurende de periode onmiddellijk voorafgaand aan 31 december van het academiejaar in kwestie, gedurende vijf jaar onafgebroken in België verbleven, waarbij de termijn wordt bewezen door de inschrijving in het Rijksregister of door een gelijkwaardig attest, uit te reiken door het gemeentebestuur;
4° studenten met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten of gemachtigd zijn voor een verblijf van onbeperkte duur in België, zoals bepaald door de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
5° kandidaat-vluchtelingen van wie de asielaanvraag ontvankelijk is verklaard, alsook hun kinderen die sinds hun minderjarigheid in België verblijven en niet zelf een asielaanvraag hebben ingediend;
6° buitenlandse onderdanen die in het kader van de strijd tegen de mensenhandel een aankomstverklaring hebben ontvangen overeenkomstig artikel 5 van de wet van 15 december 1980 of die beschikken over een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden voor een beperkte of onbeperkte duur overeenkomstig artikelen 9 tot en met 13 van de wet van 15 december 1980, geattesteerd door een gespecialiseerde onthaaldienst. ».

Art. 7. Aan artikel 21, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt een 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :

« 4° opleidingsonderdelen van een bachelors- of mastersopleiding, als in een bepaald academiejaar of semester waarin de student een diploma kan behalen, blijkt dat het desbetreffende krediet voor de opleiding in kwestie is opgebruikt. ».

Art. 8. Aan artikel 28 van hetzelfde decreet wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :

« Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing als het referentie-inkomen van de leefeenheid geheel of gedeeltelijk is samengesteld uit het bestaansminimum of leefloon, of voor minstens 70 % bestaat uit alimentatiegelden, vervangingsinkomsten of een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten. »

Art. 9. Aan artikel 43 van hetzelfde decreet wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :

« Een studentenvoorziening kan de dienst verzoeken het eerste lid tot en met het derde lid met betrekking tot de door haar betaalde voorschotten niet toe te passen. »

Art. 10. In artikel 44, tweede lid, van hetzelfde decreet worden tussen de woorden “met betrekking tot hoofdstuk IV” en de woorden “wijzigingen voordoen” de woorden “of artikel 33″ ingevoegd.

HOOFDSTUK III. – Studentenvoorzieningen

Art. 11. Artikel 59 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :

« Artikel 59. § 1. De studentenvoorzieningen zijn niet bevoegd voor studiegebonden materies die deel uitmaken van de primaire onderwijsopdracht van de hogeronderwijsinstellingen, tenzij het selectieve voorzieningen betreft.
§ 2. De studentenvoorzieningen zijn actief op een of meer van de volgende werkvelden :
1° studentenrestaurants, -cafetaria’s en -keukens;
2° studentenkamers in eigen beheer van de studentenvoorzieningen die ter beschikking van de studenten worden gesteld;
3° adviesdiensten voor studentenhuisvesting en -mobiliteit;
4° steun inzake studentenmobiliteit;
5° preventieve en curatieve medische diensten;
6° psychotherapeutische diensten;
7° sociale diensten met onder meer aandacht voor studiefinanciering, het studentenstatuut en psychosociale begeleiding;
8° jobdiensten;
9° het verlenen van diensten en ondernemen van specifieke acties voor de sociale begeleiding van buitenlandse studenten;
10° initiatieven op sportief en cultureel vlak, voorkeur via de ondersteuning van studentenorganisaties;
11° de ondersteuning van studentenorganisaties die actief zijn op academisch, sociaal, sportief of cultureel gebied;
12° de kinderopvang van kinderen van studenten;
13° logistieke diensten en infrastructuur die de werkvelden, vermeld in 1° tot en met 12° ondersteunen.
§ 3. De Vlaamse Regering kan bij besluit de werkvelden, vermeld in § 2 uitbreiden. »

Art. 12. Aan artikel 60 van hetzelfde decreet wordt een 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :

« 3° buitenlandse studenten die in het kader van de programma’s van de Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking (DGOS) hogeronderwijsprogramma’s volgen aan een ambtshalve geregistreerde instelling, zoals bepaald in artikel 7 van het Structuurdecreet. »

Art. 13. Artikel 61 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :

« Artikel 61. § 1. Studentenvoorzieningen kunnen selectieve voorzieningen aanbieden aan de student die aan al de volgende voorwaarden voldoet :
1° de student voldoet aan de nationaliteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 12;
2° de student is ingeschreven aan een ambtshalve geregistreerde instelling, zoals vermeld in artikel 7 van het Structuurdecreet, en heeft met de instelling in kwestie een diplomacontract gesloten;
3° de student behoort tot een van de volgende specifieke doelgroepen :
a) minvermogende studenten die al dan niet recht hebben op een studiefinanciering;
b) studenten waarvan een ouder geboren is in een ontwikkelingsland dat is opgenomen in het eerste deel van de lijst van het Comité voor Ontwikkelingshulp (DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
c) studenten met een functiebeperking of chronische ziekte;
d) studenten uit nieuw samengestelde leefeenheden;
e) studenten met een studiebewijs van het beroepssecundair onderwijs;
f) alleenstaande studenten met kinderen ten laste.
§ 2. In afwijking van § 1 kunnen studentenvoorzieningen selectieve voorzieningen aanbieden aan buitenlandse studenten die in het kader van de programma’s van de Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking (DGOS) hogeronderwijsprogramma’s volgen aan een ambtshalve geregistreerde instelling, zoals bepaald in artikel 7 van het Structuurdecreet.
§ 3. In afwijking van § 1 kan niet-structurele hulp in noodsituaties aan alle studenten verleend worden.
§ 4. De Vlaamse Regering kan bij besluit de doelgroepen, vermeld in § 1, 3°, uitbreiden. »

Art. 14. Artikel 63 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :

« Artikel 63. § 1. De beheersovereenkomst heeft een duurtijd van vijf kalenderjaren. Bij ontstentenis van een nieuwe overeenkomst blijft de oude van kracht.
De beheersovereenkomst kan door de Vlaamse Regering voortijdig beëindigd worden door een nieuwe beheersovereenkomst te sluiten.
De eerste beheersovereenkomst wordt gesloten uiterlijk 15 november 2005 en treedt in werking op 1 januari 2006.
§ 2. De beheersovereenkomst geeft een overzicht van de werkvelden, vermeld in artikel 59, § 2, van de doelgroepen, vermeld in artikel 61, §§ 1 en 2, van de strategische en de operationele doelstellingen en de bijbehorende resultaatindicatoren.
Met toepassing van artikel 59, § 3, of artikel 61, § 4, kunnen de studentenvoorzieningen eveneens actief zijn met betrekking tot de nieuwe werkvelden of doelgroepen, zonder dat die zijn opgenomen in de beheersovereenkomst.
§ 3. De beheersovereenkomst wordt beleidsmatig ondersteund door de volgende documenten :
1° een beleidsplan voor vijf jaar, jaarlijks bijstuurbaar;
2° de raamovereenkomsten met de partners in de regio;
3° een jaarlijkse begroting en, indien van toepassing, een meerjarenbegroting, die een overzicht geven van de financiële middelen die zullen worden ingezet voor de werking, het personeel en de infrastructuur van de studentenvoorziening.
§ 4. Het beleidsplan, vermeld in § 3, 1°, bevat de volgende aspecten :
1° de strategische doelstellingen die worden geformuleerd in termen van effecten op middellange termijn;
2° de operationele doelstellingen die worden geformuleerd in termen van resultaten op korte termijn;
3° de specificiteit van de doelgroep en de wijze waarop de studentenvoorziening daarop inspeelt;
4° de communicatie met de doelgroep;
5° de samenwerking met en de eigen inbreng van de studentenvoorziening in het regionaal overlegcomité en het overlegplatform, en een overzicht van de samenwerkingsakkoorden.
Het beleidsplan wordt opgesteld overeenkomstig de leidraad die de dienst ter beschikking stelt. »

HOOFDSTUK IV. – Studentenmobiliteit

Art. 15. Aan artikel 80 van hetzelfde decreet wordt een 5° toegevoegd, dat luidt als volgt :

« 5° vertegenwoordigers van de studentenkoepelverenigingen. »

HOOFDSTUK V. – Slotbepalingen

Art. 16. Dit decreet treedt in werking op 1 juli 2005, met uitzondering van artikelen 11, 12 en 13 die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 2004.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 18 november 2005.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
Y. LETERME
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
_______
(1) Zitting 2004-2005.
Stuk. – Ontwerp van decreet 460, nr. 1.

Gepost door: pingelaere | januari 11, 2006

arrest arbitragehof 167/2005 ivm academische vrijheid

Rolnummer 3137 en 3210

Arrest nr. 167/2005

van 23 november 2005

A R R E S T

__________

In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten, ingesteld door P. Alexandre en anderen en door J.-L. Bozet en anderen.

Het Arbitragehof,

samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior,

wijst na beraad het volgende arrest :

*

* *

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 15 november 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 november 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 6, § 1, 7, 14, § 1, 17, § 2, 37, §§ 1 en 2, 38, vijfde lid (vierde lid in de Nederlandse vertaling), 40, 41, 48, 66, 67, 68, § 3, 71, 83, § 1, 87, 90 tot 112, 117, §§ 1 en 6, 122, 125, § 2, 138, 139, 141, 142, 159, § 2, 161, 190 en de bijlagen III en IV van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 juni 2004, tweede uitgave) door P. Alexandre, wonende te 4300 Borgworm, rue Pré Maleau 1, R. Arnould, wonende te 6940 Durbuy, Plein de Holset 80, M. Ausloos, wonende te 4122 Plainevaux, rue des Chartreux 7, F. Balace, wonende te 4430 Ans, rue Sous-le-Bois 78, F. Bauden, wonende te 4000 Luik, rue Eracle 13, C. Baurain, wonende te 4020 Luik, Quai Churchill 21/062, M.-G. Boutier, wonende te 4000 Luik, rue des Augustins 22, J. Bozet, wonende te 4052 Beaufays, Voie de la Vigne 10, P. Compère, wonende te 4000 Luik, rue Julien Lahaut 34, J.-M. Crielaard, wonende te 4861 Soiron-Pepinster, Château de Sclassin 1, J.-L. Croisier, wonende te 5580 Wavreille, rue du Patronage 30, J.-F. Debongnie, wonende te 4100 Boncelles, rue N. Fossoul, B.P. 151, M. Delville, wonende te 4102 Ougrée, rue des Nations 47, B. Demoulin, wonende te 4000 Luik, Mont Saint-Martin 83, V. Demoulin, wonende te 4130 Tilff, rue Heid de Mael 84, R. Dondelinger, wonende te 4121 Neuville-en-Condroz, rue des Poètes 7, J.-P. Donnay, wonende te 4400 Mons-lez-Liège, rue J.-L. Adam 226, M. Dubuisson wonende te 4000 Luik, rue du Mont-de-Piété 9, J.-P. Duchesne, wonende te 4020 Luik, rue Georges Thone 14, P. Durand, wonende te 4020 Luik, Thier de la Chartreuse 36, M. Erpicum, wonende te 4000 Luik, rue Wazon 47, E. Eskenazi, wonende te 4020 Luik, Quai G. Kurth 59, J.-A. Essers, wonende te 4608 Warsage, Chemin Bois du Roi 52, M. Fairon, wonende te 4000 Luik, rue Monulphe 17, R. Germay, wonende te 4000 Luik, Quai P. Van Hoegaerden 2, A. Gob, wonende te 4000 Luik, rue Louvrex 58/41, E. Heinen, wonende te 4453 Villers-Saint-Siméon, rue du Tige 75, J.-P. Jaspart, wonende te 4890 Thimister-Clermont, Baudouinthier 54, M.-E. Melon, wonende te 4000 Luik, rue des Glacis 123, B. Merenne-Schoumaker, wonende te 4000 Luik, rue Côte d’Or 190, A. Migeotte, wonende te 4053 Embourg, Au Long Pré 69, M. Otte, wonende te 4000 Luik, boulevard Piercot 4, A. Ozer, wonende te 4000 Luik, avenue C. de Gerlache 62, C. Pagnoulle, wonende te 4000 Luik, avenue du Hêtre 12, C. Partoune, wonende te 4000 Luik, rue A. Donnay 21, E. Pastor, wonende te 4920 Aywaille, rue de la Brassine 16, F. Petit, wonende te 4130 Esneux, avenue de Géradon 18, E. Pirart, wonende te 1160 Brussel, I. Geyskenslaan 125, E. Poty, wonende te 4130 Esneux, Amostrennes 29, P. Raxhon, wonende te 4102 Ougrée, rue des Trois-Limites 35, B. Rochette, wonende te 4020 Luik-Jupille, rue Charlemagne 107, G. Simons, wonende te 4030 Grivegnée, avenue de Péville 149, M. Stasse, wonende te 4877 Olne, Riéssonsart 8a, M. Stassin, wonende te 4000 Rocourt, Allée Bietlîmé 5, S. Theissen, wonende te 4801 Stembert, rue Surdents 28, F. Tilkin, wonende te 4000 Luik, Mont Saint-Martin 83, Ö. Tunca, wonende te 4053 Embourg, rue J. Deflandre 151, M. Vanderthommen, wonende te 4130 Tilff, rue Heid de Mael 72, P. Wathelet, wonende te 4000 Luik, Visé-Voie 56, en R. Winkler, wonende te 4031 Angleur, rue de la Belle Jardinière 337.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 december 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 december 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 6, § 1, 7, 14, § 1, 17, § 2, 37, §§ 1 en 2, 38, vijfde lid (vierde lid in de Nederlandse vertaling), 40, 41, 48, 66, 67, 68, § 3, 71, 83, § 1, 87, 90 tot 112, 117, §§ 1 en 6, 122, 125, § 2, 138, 139, 141, 142, 159, § 2, 161, 190 en de bijlagen III en IV van voormeld decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 door J.-L. Bozet, wonende te 4140 Dolembreux, Betgné 12, J.-M. Frère, wonende te 4550 Nandrin, Chemin de Sotrez 85, T. Grisar, wonende te 4970 Stavelot, Chemin de la Hoegne 50, P.-P. Gossiaux, wonende te 4000 Luik, avenue E. Digneffe 51, Y. Henrotin, wonende te 4052 Beaufays, Aux Grands Champs 63, J. Joset, wonende te 4020 Luik, Quai Mativa 54, en G. L’Homme, wonende te 4347 Fexhe-le-Haut-Clocher, rue de Rouloux 22a.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3137 en 3210 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

Memories zijn ingediend door :

- de « Université libre de Bruxelles » (U.L.B.), waarvan de zetel is gevestigd te 1050 Brussel, Franklin Rooseveltlaan 50, tussenkomende partij in de zaak nr. 3137;

- de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles », waarvan de zetel is gevestigd te 6010 Charleroi, rue de Villers 277, tussenkomende partij in de zaak nr. 3137;

- de Franse Gemeenschapsregering;

- de Vlaamse Regering.

De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. De « Université libre de Bruxelles », de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles », de Franse Gemeenschapsregering en de Vlaamse Regering hebben ook memories van wederantwoord ingediend.

Op de openbare terechtzitting van 14 september 2005 :

- zijn verschenen :

. Mr. D. Matray en Mr. P. Lejeune, advocaten bij de balie te Luik, voor de verzoekende partijen;

. Mr. M. Mareschal loco Mr. M. Uyttendaele, advocaten bij de balie te Brussel, voor de « Université libre de Bruxelles » en de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles »;

. Mr. M. Nihoul, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering;

. Mr. H. Vermeire loco Mr. P. Devers, advocaten bij de balie te Gent, voor de Vlaamse Regering;

- hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht;

- zijn de voornoemde advocaten gehoord;

- zijn de zaken in beraad genomen.

De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

II. In rechte

- A –

Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen

A.1.1. De verzoekende partijen zijn allen hoogleraar, docent of assistent aan de « Université de Liège ». Zij zijn van mening dat zij doen blijken van een persoonlijk belang om in rechte te treden, vermits het bestreden decreet hun situatie rechtstreeks en ongunstig raakt, enerzijds, door het personeel van de universiteiten te belasten met alle taken die de universitaire academies, die niet over eigen personeel beschikken, moeten uitvoeren en, anderzijds, door het ambt van lesgever los te koppelen van de opdracht die hun ofwel reeds is toegewezen ofwel later kan worden toegewezen.

A.1.2. De verzoekende partijen zijn van mening dat zij tevens doen blijken van een functioneel belang om in rechte te treden, vermits het bestreden decreet van dien aard is dat het raakt aan de prerogatieven verbonden aan hun ambt van hoogleraar, docent of assistent. De geografische beperking van de « Université de Liège », de oprichting van de academies, de beperking van de vrijheid van vereniging van de universiteiten, of nog, het feit dat de erkenning van de studies, de subsidiëring en het genot van de bevoegdheden afhankelijk worden gemaakt van de naleving van de andere bepalingen van het bestreden decreet, kunnen de inhoud zelf van het onderwijs en de financiering ervan aantasten. De « Université de Liège » zal haar onderwijsopdracht en bijgevolg het onderwijs waarmee de verzoekende partijen zijn belast, dus niet meer behoorlijk kunnen uitvoeren. Het bestreden decreet vereist overigens dat de academische vrijheid – die een van de wezenlijke prerogatieven van de verzoekende partijen vormt – wordt uitgeoefend « binnen het respect voor de bepalingen van dit decreet », waardoor een rechtstreeks verband tot stand wordt gebracht tussen de situatie van de verzoekende partijen en alle in de beroepen beoogde bepalingen.

A.2.1. In haar memorie is de Franse Gemeenschapsregering in de eerste plaats van mening dat kan worden beschouwd dat de demarche van de verzoekende partijen losstaat van of zelfs in tegenstrijd is met die van de « Université de Liège », die nauw betrokken is geweest bij de totstandkoming van het bestreden decreet en geen beroep tegen dat decreet heeft ingesteld, terwijl zij dat had kunnen doen.

A.2.2. De Regering herinnert aan het arrest nr. 38/94 en is van mening dat de verzoekende partijen niet doen blijken van een persoonlijk belang bij het beroep, daar hun situatie niet rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt door het bestreden decreet, dat overigens in werking is getreden vanaf het academiejaar 2004-2005, met andere woorden, verschillende maanden vóór het instellen van hun beroep.

Ten aanzien van de bewering dat het decreet het personeel van de universiteiten zou belasten met alle door de academies uit te voeren taken, merkt de Regering op dat het belang van de verzoekende partijen niet onderscheiden is van een belang verbonden aan de universitaire instelling zelf en dat de verzoekende partijen niet in de plaats kunnen treden van de « Université de Liège ». De oprichting van de academies zal overigens geen enkele bijkomende opdracht met zich meebrengen, maar het integendeel mogelijk maken sommige opdrachten te rationaliseren. Ten slotte leggen de verzoekende partijen geen enkel concreet element voor waaruit blijkt dat zij rechtstreeks en ongunstig zullen worden geraakt door extra taken die de oprichting van de academies met zich zou meebrengen. Ten slotte heeft het specifiek belang in verband met het feit dat het ambt van lesgever wordt losgekoppeld van de opdracht, alleen betrekking op de bepalingen die het voorwerp uitmaken van het derde middel – dat overigens niet gegrond is.

A.2.3. Volgens de Regering hebben de verzoekende partijen evenmin een functioneel belang bij het beroep. De rechtspraak van het Arbitragehof heeft immers nooit een functioneel belang aanvaard. De verzoekende partijen verwarren overigens het persoonlijk belang met het functioneel belang door alleen hun hoedanigheid van hoogleraar of ambtenaar van de Franse Gemeenschap aan te voeren, hoedanigheid die geen specifiek ambt vormt dat een eventueel functioneel belang zou kunnen inhouden.

A.3.1. In hun memorie van antwoord preciseren de verzoekende partijen dat zij niet beweren dat zij met extra taken zullen worden belast, maar dat zij vaststellen dat de academies niet over personeel beschikken en dat daaraan bepaalde taken worden toevertrouwd, waardoor zij, ter ondersteuning van hun persoonlijk belang bij het beroep, het gevaar voor een wijziging van de onderwijsstructuur aanvoeren.

Op het vlak van de opleidingen bestaat aldus het gevaar dat sommige studiecycli worden afgeschaft, wat zou leiden tot een wijziging van de arbeidsvoorwaarden van de lesgevers en de studenten en, op termijn, tot de afschaffing van posten. Evenzo kunnen de overheden van een academie, wat de posten en de opdrachten betreft, de academische procedures wijzigen. Ten slotte is in de sector van het onderzoek het gevaar groot dat volledige sectoren van wetenschappelijke gebieden verdwijnen. Aangezien de waarborgen zijn verdwenen die de hoogleraren vroeger beschermden tegen een intrekking of een wijziging van de opdracht, volstaat het dat die intrekking zich kan voordoen om het persoonlijk belang van de verzoekende partijen aan te tonen.

A.3.2. Ten aanzien van het functioneel belang vereisen noch de rechtspraak van de Raad van State, noch die van het Arbitragehof dat, zoals de Franse Gemeenschapsregering beweert, de aangevoerde « functies » uitsluitend betrekking hebben op de « deelname aan een publiekrechtelijk beraadslagend orgaan » of dat de verzoekende partijen betrokken zijn bij de totstandkoming van de bestreden handeling.

A.3.3. Ten slotte situeren de waarden waaraan het bestreden decreet afbreuk doet, zich hoog in de hiërarchie van de normen, met name in titel II van de Grondwet of in het rechtstreeks toepasselijke supranationale recht, wat gevolgen heeft voor de ontvankelijkheid van het beroep. Door hun hoedanigheden zowel op persoonlijk als op functioneel vlak aan te voeren, onderscheiden de verzoekende partijen zich van de burgers in het algemeen en kunnen zij door de bestreden bepalingen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt.

A.4.1. In haar memorie van wederantwoord stelt de Franse Gemeenschapsregering vast dat de verzoekende partijen zeer vaag blijven wat de verantwoording van hun persoonlijk belang betreft. Door te erkennen dat zij niet met extra opdrachten zullen worden belast bij ontstentenis van eigen personeel van de academies, geven de verzoekende partijen toe dat de bepalingen betreffende het personeel en de opdrachten van de academies hen niet rechtstreeks en ongunstig raken. Die bepalingen leiden overigens niet tot een wijziging van de universitaire onderwijsstructuur en dus van de dagelijkse taken van de verzoekende partijen. Het vermeende gevaar – dat echter door geen enkel concreet element wordt aangetoond – dat sommige studiecycli worden afgeschaft of de posten en de opdrachten worden gewijzigd, vloeit ten slotte niet voort uit de oprichting van de academies, maar uit de bepalingen betreffende de financiering van de universiteiten, die vóór het bestreden decreet bestonden.

A.4.2. Bovendien is het niet coherent een functioneel belang aan te voeren, wanneer kan worden aangetoond dat men in zijn situatie rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt. De rechtspraak van de Raad van State waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, stelt het door de Franse Gemeenschapsregering verdedigde begrip van functioneel belang niet ter discussie en de verzoekende partijen bekritiseren de rechtspraak van het Arbitragehof trouwens niet.

A.4.3. Volgens de Regering wordt het belang niet verschillend beoordeeld wanneer de waarden waaraan afbreuk is gedaan, zich hoog in de juridische hiërarchie situeren. Ook al kan hun beroep niet als een actio popularis worden beschouwd, toch bestaat er een marge tussen de ontstentenis van een persoonlijk belang en een actio popularis. Ten slotte verwarren de verzoekende partijen de begrippen persoonlijk belang en functioneel belang met elkaar door waarden aan te voeren die alleen de « Université de Liège » als instelling betreffen, en niet de verzoekende partijen zelf.

A.5. In hun memorie van wederantwoord zijn de « Université libre de Bruxelles » en de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles » van mening dat de beroepen bij ontstentenis van belang onontvankelijk zijn en verwijzen zij naar de argumenten die de Franse Gemeenschapsregering uiteenzet.

Ten aanzien van het belang van de tussenkomende partijen

A.6. De « Université libre de Bruxelles » is van mening dat er een onbetwistbaar verband bestaat tussen haar onderwijsopdrachten en het onderwerp van de bestreden bepalingen en dat zij doet blijken van een belang bij het behoud van die bepalingen.

A.7. De « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles », die in uitvoering van het bestreden decreet is opgericht, is van mening dat er een onbetwistbaar verband bestaat tussen haar opdrachten, die zijn gedefinieerd in artikel 3 van haar statuten, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 september 2004, en het onderwerp van de bestreden bepalingen, zodat zij doet blijken van een belang bij het behoud van die bepalingen.

Ten gronde

Verzoekschriften

A.8. Door de toekenning van subsidies aan de naleving van sommige voorwaarden te koppelen, beperkt het bestreden decreet, volgens de verzoekende partijen, de vrijheid van onderwijs, zodat het, om conform de grondwettelijke voorschriften te zijn, noodzakelijk is dat de voorwaarden in overeenstemming zijn met het nagestreefde doel en daarmee evenredig zijn. Daarnaast heeft de wetgever artikel 24, § 2, van de Grondwet geschonden, door te stellen dat titel IV van het decreet niet inhield dat bevoegdheden van de Gemeenschap, als inrichtende macht, naar de academies werden gedelegeerd.

A.9.1. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van de vrijheid van onderwijs, gewaarborgd bij artikel 24 van de Grondwet, en van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, bepaald in de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet.

De in dat middel beoogde bepalingen voorzien in de toekenning van bevoegdheden om universitaire studies in te richten per studiecyclus en per site. Volgens bijlage III van het bestreden decreet is de « Université de Liège » bevoegd om, vanaf het academiejaar 2004-2005, voor de meeste van de aan haar toegewezen domeinen de studies van het eerste en het tweede curriculum te organiseren in de kantons Luik, Aywaille, Herstal, Seraing en Fléron, alsook, voor milieuwetenschappen en -beheer en oceanografie, in het kanton Aarlen.

In tegenstelling tot twee andere universiteiten die in omvang en uitstraling vergelijkbaar zijn – de « Université catholique de Louvain » en de « Université libre de Bruxelles » – wordt de « Université de Liège » dus de toegang ontzegd tot het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. In verband met de opmerking van de Raad van State waarin wordt gewezen op de noodzaak om de toewijzing van die bevoegdheden te verantwoorden, heeft de Minister van Hoger Onderwijs verklaard dat het erom ging hetgeen thans is georganiseerd, te erkennen.

A.9.2. Door de « Université de Liège » te beperken tot bepaalde kieskantons en door haar de toegang tot het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest te verbieden, houden de aangeklaagde bepalingen van het decreet een geografische beperking van de vrijheid van onderwijs in en schenden zij het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het criterium dat ertoe strekt de bestaande situatie vast te zetten, is conjunctureel – vermits de « Université de Liège » gedurende meer dan 150 jaar cursussen diergeneeskunde heeft verstrekt in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest – en is bijgevolg niet adequaat noch pertinent.

Aldus bestaat een totale tegenstrijdigheid tussen het nagestreefde doel en het feit dat, voor de « Université de Liège », de bronnen van creativiteit, kritische zin, ontwikkeling en evolutie van de kennis moeten ophouden aan de grenzen van de voormelde kieskantons. Die geografische beperking is des te minder redelijk, daar de wetgever heeft verklaard het hoger onderwijs te willen aanpassen aan de Europese dimensie. De « Université de Liège » is overigens de enige « volledige » universiteit waarvan de Franse Gemeenschap de inrichtende macht is en die het de Franse Gemeenschap aldus mogelijk maakt haar verplichting na te komen om een neutraal universitair onderwijs te organiseren dat voor iedereen op heel haar grondgebied toegankelijk is. Dat kenmerk zou op zich hebben verantwoord dat de « Université de Liège » niet tot enkele kieskantons wordt beperkt.

A.10.1. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 2, van de Grondwet en, in ondergeschikte orde, uit de schending van de vrijheid van vereniging, vervat in artikel 27 van de Grondwet, en van de vrijheid van onderwijs, vervat in artikel 24 van de Grondwet.

A.10.2. Volgens de verzoekende partijen zouden de bepalingen betreffende de universitaire academies het voorwerp moeten hebben uitgemaakt van een bijzonder decreet dat met tweederde meerderheid was goedgekeurd, vermits de universitaire academies, die rechtspersoonlijkheid hebben, bevoegd zijn om, wanneer de betrokken universiteiten daarom verzoeken, de onderwijsopdrachten die zijn toegewezen aan de universiteiten waarvan de Gemeenschap de inrichtende macht is, volledig of gedeeltelijk te organiseren. In tegenstelling tot wat in de memorie van toelichting wordt gesteld naar aanleiding van een opmerking van de Raad van State, zijn de verzoekende partijen echter van mening dat de toepassing van artikel 24, § 2, van de Grondwet geen volledige bevoegdheidsoverdracht vereist.

A.10.3. In ondergeschikte orde zijn de verzoekende partijen van mening dat de bepalingen betreffende de universitaire academies de vrijheid van vereniging en de vrijheid van onderwijs schenden. Gelet op de aanzienlijke voordelen, onder meer op financieel vlak, die aan de academies zijn voorbehouden, zou de universiteit die ervoor zou kiezen om zich niet te verenigen, immers moeten afzien van fundamentele elementen van haar maatschappelijk doel, zodat de vrijheid van de universiteiten om zich niet te verenigen, beperkt is. Via de verbodsbepalingen en de verplichtingen vervat in artikel 90 van het bestreden decreet of door in artikel 107 van het decreet de fusies tussen universiteiten voor te behouden aan de leden van eenzelfde academie, is de vrijheid van vereniging van de universiteiten overigens ook beperkt, zonder dat die beperkingen pertinent zijn of in overeenstemming met het nagestreefde doel.

A.11.1. Een derde middel wordt afgeleid uit de schending van de academische vrijheid, gewaarborgd bij de artikelen 19 en 24 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, opgenomen onder titel II van de Grondwet voor Europa, en de artikelen 9 en 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, alsook uit de schending van het verbod om aangelegenheden inzake de inrichting van het onderwijs over te dragen, vervat in artikel 24, § 5, van de Grondwet, en van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gewaarborgd bij de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet.

A.11.2. Volgens het eerste onderdeel van het middel zou het bestreden decreet afbreuk doen aan de academische vrijheid, een fundamentele vrijheid die voortaan integraal deel uitmaakt van het ontwerp van de Grondwet voor Europa en die, in het Belgisch recht, redelijkerwijs kan worden afgeleid uit de vrijheid van onderwijs.

De academische vrijheid, die weliswaar in artikel 67 wordt afgekondigd, heeft aldus geen betrekking op de onderzoeks- en publicatieactiviteiten en wordt in die zin opgevat dat zij wordt uitgeoefend « binnen het respect voor de bepalingen van dit decreet », die die vrijheid aanzienlijk beperken. De decreetgever heeft het aldus nodig geacht sommige, als « verouderd » beschouwde bepalingen te wijzigen, die een zekere duurzaamheid – en niet onveranderlijkheid – van de onderwijsopdracht verzekerden, teneinde de academische vrijheid van de lesgevers te beschermen. De bestreden bepalingen schrijven voortaan voor dat de toewijzing van de opdracht tijdelijk wordt en heffen de waarborgen van de lesgever op ingeval diens opdracht wordt gewijzigd.

A.11.3. Volgens het tweede onderdeel van het middel schendt het bestreden decreet, door geen enkele toelichting te geven over essentiële punten zoals de voorwaarden bij het al dan niet verlengen van de toegewezen opdracht, de motieven die een wijziging van de opdracht verantwoorden, of de waarborg dat de in die aangelegenheden genomen beslissingen zullen losstaan van de ideologische en filosofische overtuigingen van de betrokkene, artikel 24, § 5, van de Grondwet, dat de wil van de Grondwetgever vertaalt om de bevoegdheid van de wetgever op het vlak van de inrichting van het onderwijs te versterken.

In tegenstelling tot de andere ambtenaren van het openbaar ambt die het recht hebben een dienstaanwijzing te verkrijgen, bevinden de verzoekende partijen zich overigens in een situatie waarbij hun onderwijsopdracht niet alleen kan worden gewijzigd, maar tevens opgeheven, zonder dat hiervoor in de parlementaire voorbereiding enige verantwoording is gegeven.

Ten slotte voorziet artikel 161 van het decreet in een onmiddellijke toepassing van het beginsel van de « detitularisering », waarbij zonder enige verantwoording twee onderscheiden categorieën van personen, namelijk de reeds benoemde hoogleraren en diegenen die dat nog niet zijn, op identieke wijze worden behandeld en aldus afbreuk wordt gedaan aan de gewettigde verwachtingen van de verzoekende partijen, die de door het decreet ingevoerde wijzigingen niet konden voorzien toen zij voor een universitaire loopbaan hebben gekozen.

Memorie van de Franse Gemeenschapsregering

A.12.1. Ten aanzien van het eerste middel voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat alleen de artikelen 37, § 1, en 38, vijfde lid (vierde lid in de Nederlandse vertaling), van het decreet door het middel worden beoogd en is zij in hoofdorde van mening dat het beroep onontvankelijk is bij ontstentenis van een belang.

A.12.2. In ondergeschikte orde is zij van mening dat het middel in rechte gedeeltelijk faalt, vermits de verzoekende partijen niet preciseren welk deel van artikel 24 hun eerste referentienorm van het middel zou vormen.

De Franse Gemeenschapsregering herinnert aan het arrest nr. 1/2003 en is, zoals de Raad van State in zijn advies over het ontwerp van bestreden decreet, van mening dat de vaststelling van geografische bevoegdheden in overeenstemming is met het voorschrift van artikel 24, § 1, van de Grondwet. De tweede zin van artikel 24, § 4, betreft overigens de naleving van het schoolpact en lijkt verbonden met het verplicht onderwijs, zodat, in het kader van het eerste middel, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de enige referentienormen van het Hof zijn.

A.12.3. Ten aanzien van een eventueel verschil in behandeling tussen de « Université de Liège » en de andere universiteiten die over een « volledige » geografische bevoegdheid beschikken, herinnert de Regering aan de talrijke motieven die de Minister van Hoger Onderwijs heeft aangevoerd. De beperking, van louter geografische orde, van de bevoegdheden heeft in de eerste plaats tot doel rekening te houden met de combinatie tussen de beperkte omvang van het grondgebied dat onder de Franse Gemeenschap ressorteert en het grote aantal universitaire instellingen, waarbij de zorg bestaat om de pluraliteit binnen het universitaire landschap te behouden en tegelijk een scherpe concurrentie tussen die instellingen te vermijden. De drie universitaire instellingen die over een volledige bevoegdheid beschikken, zijn aldus elk beperkt tot een geografisch gebied, dat overeenstemt met hun natuurlijke geografische invloedssfeer, waarbij de decreetgever zich ertoe beperkt de bestaande situatie vast te zetten. De geografische bevoegdheden en de gedeeltelijke herinrichting van het universitaire landschap die daaruit voortvloeit, zijn niet nadelig voor de « Université de Liège ».

A.12.4. De bestreden bepalingen zijn evenredig : zij voeren geen vaste situatie in, maar een situatie die van nature uit voor verandering vatbaar is, zij maken andere wijzen van geografische uitbreiding van de instellingen mogelijk, en zij doen geenszins afbreuk aan de financiële belangen van de « Université de Liège ».

Die bepalingen zijn niet in tegenspraak met andere doelstellingen van het decreet. Enerzijds, heeft artikel 3 van het decreet geenszins tot doel de « geografische » inhoud van het onderwijs en de sites waarvoor een bevoegdheid is toegekend, te laten samenvallen. Anderzijds, is er geen enkele tegenstrijdigheid tussen de mogelijkheid voor de « Université de Liège » om een Europese dimensie aan te nemen en de beperkingen van louter geografische aard.

A.13.1. Ten aanzien van het tweede middel is de Franse Gemeenschapsregering in hoofdorde van mening dat het middel onontvankelijk is bij ontstentenis van een belang, vermits de bestreden bepalingen alleen betrekking hebben op de « Université de Liège » en de vermeende niet-naleving van een procedurebepaling de verzoekende partijen overigens niet kan benadelen.

A.13.2. In ondergeschikte orde is de Regering van mening dat het middel niet gegrond is. Volgens haar zou het eerste onderdeel moeten worden verworpen omdat het onvoldoende nauwkeurig is. Overigens, alleen een volledige bevoegdheidsoverdracht inzake onderwijs en niet de organisatie van een wijze van samenwerking tussen universiteiten valt onder het toepassingsgebied van artikel 24, § 2, van de Grondwet.

Het tweede onderdeel van het middel berust op een onjuiste beoordeling van de draagwijdte van de in het geding zijnde bepalingen en is voor het overige niet gegrond, omdat het proces van integratie of samenwerking tussen de instellingen de vrijheid van vereniging niet beperkt, daar het berust op een vrijwillige basis en geen afbreuk doet aan de financiële belangen van de universiteiten. Ten slotte hebben de aangeklaagde maatregelen in het algemeen een zeer geringe weerslag op de organisatie van het onderwijs en de samenwerking in ruime zin tussen universitaire instellingen.

A.14.1. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het derde middel is de Franse Gemeenschapsregering in hoofdorde van mening dat de academische vrijheid geen deel uitmaakt van de referentienormen van het Hof omdat zij niet wordt beoogd door de vrijheid van onderwijs die in artikel 24 van de Grondwet wordt afgekondigd en omdat het Hof niet bevoegd is om te waken over de naleving van de Grondwet voor Europa – die vandaag geen enkele bindende waarde heeft -, noch om rechtstreeks toe te zien op de naleving van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens – waarvan de bepalingen overigens geen vermeende academische vrijheid bevestigen.

A.14.2. In ondergeschikte orde is de Regering van mening dat die vrijheid niet absoluut is en dat de daarin aangebrachte beperkingen volkomen verantwoord zijn. Het bestreden artikel 67 heeft aldus niet de draagwijdte die de verzoekende partijen eraan geven, daar het geen betrekking heeft op de onderzoeksactiviteiten, en het is niet de toewijzing van de opdracht die tijdelijk wordt, maar alleen de inhoud ervan. De academische mobiliteit die daaruit voortvloeit, is een maatregel die relevant is ten aanzien van de beoogde integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs.

A.14.3. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel is de Regering van mening dat de verzoekende partijen zich vergissen in de draagwijdte van artikel 24, § 5, van de Grondwet en dat de bestreden bepalingen geen enkele normatieve of reglementaire delegatie aan de Franse Gemeenschapsregering toekennen, maar uitsluitend zeer duidelijke taken, als administratieve overheid, in het kader van benoemingsprocedures of procedures inzake de toewijzing van opdrachten. Bovendien is het niet redelijk om van de decreetgever te eisen dat hij de door de verzoekende partijen in het middel vermelde elementen nader vaststelt. Ten slotte voert artikel 161 van het decreet een overgangsbepaling in die een redelijk evenwicht tot stand brengt tussen de toepassing van de nieuwe regels op de hoogleraren die reeds in functie zijn en het behoud, gedurende een bepaalde periode, van hun situatie van vóór de inwerkingtreding.

Memorie van de Vlaamse Regering

A.15.1. De Vlaamse Regering beperkt zich tot enkele beschouwingen in verband met het tweede middel. Volgens de Vlaamse Regering is artikel 24, § 2, van de Grondwet van toepassing wanneer bevoegdheden inzake onderwijs sensu stricto, met inbegrip van het hoger onderwijs, worden overgedragen van de Gemeenschap naar een afzonderlijk publiekrechtelijk persoon, opgericht bij of krachtens een decreet, als inrichtende macht. In dat geval behoudt de Gemeenschapsregering alleen nog een normatieve bevoegdheid, maar niet langer de bevoegdheid voor de organisatie als dusdanig van het betrokken onderwijs, namelijk de ondeelbare verantwoordelijkheid ten aanzien van de organisatie van het onderwijs.

A.15.2. Het volstaat dan dat het bijzonder decreet de krachtlijnen en beginselen betreffende de opties, de structuur en de bevoegdheden bevat, terwijl het overige bij gewoon decreet of zelfs, mits het legaliteitsbeginsel wordt nageleefd, bij uitvoeringsbesluit kan worden geregeld. Hieruit volgt dat artikel 24, § 2, van de Grondwet geen « delegatie » inhoudt, wat met zich meebrengt dat artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen niet van toepassing is.

A.15.3. Volgens de Vlaamse Regering is het bijgevolg niet noodzakelijk dat alle bevoegdheden van de Gemeenschap worden overgedragen aan een of meerdere autonome organen opdat artikel 24, § 2, van de Grondwet van toepassing zou zijn. De bestreden bepalingen lijken derhalve in tegenspraak met artikel 24, § 2, van de Grondwet.

Memorie van antwoord van de verzoekende partijen

A.16.1. Ten aanzien van het eerste middel zijn de verzoekende partijen van mening dat de in het middel beoogde bepalingen gemakkelijk kunnen worden geïdentificeerd, vermits de geografische beperking van de « Université de Liège » afbreuk doet aan bepaalde aspecten van de vrijheid van onderwijs, die niet ruimer diende te worden omschreven.

A.16.2. Volgens de verzoekende partijen bestaat geen enkele verantwoording voor de geografische beperking van de « Université de Liège », die vroeger niet bestond. Indien de doelstelling erin bestond een scherpe concurrentie – waarvan het bestaan geenszins vaststaat – tussen instellingen te voorkomen, dan had de geografische bevoegdheid op eenzelfde grondgebied niet moeten worden toegekend, zoals dat het geval is voor de U.C.L. en de U.L.B. op dat van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, waartoe de « Université de Liège » nochtans de toegang wordt geweigerd. Bovendien is het, ten aanzien van de aantastingen van de vrijheid van onderwijs, geenszins pertinent om de bestaande situatie te willen « vastzetten ».

A.16.3. De verzoekende partijen zijn van mening dat het niet relevant is een uitbreiding van de niet-geografische bevoegdheden van een universiteit – die niet in aanmerking kunnen worden genomen om een aantasting van de vrijheid van onderwijs te verantwoorden – te koppelen aan een beperking van de geografische bevoegdheden, of nog, aan financiële overwegingen, zoals de Franse Gemeenschapsregering suggereert. De vermeende nieuwe « bevoegdheden » zijn overigens niet nieuw, vermits zij reeds vroeger bestonden. Ten slotte is het feit dat een norm kan worden gewijzigd, een kenmerk dat eigen is aan elke wetgeving en is het niet van dien aard dat het de evenredigheid van de maatregel aantoont.

A.16.4. Die onevenredige aantasting van de vrijheid van onderwijs is discriminerend voor de « Université de Liège ». De mogelijkheden van internationale samenwerking, die voor alle universiteiten bestaan, en de omvang van de « Université de Liège » verantwoorden geenszins de geografische beperking van haar bevoegdheden, aangezien de decreetgever zelf heeft gesteld dat de « Université de Liège » kon worden vergeleken met de andere volledige universiteiten van de Gemeenschap. De Franse Gemeenschapsregering geeft overigens toe dat de bronnen van creativiteit, kritische zin, ontwikkeling en evolutie van de kennis, mogelijk niet samenvallen met het bevoegdheidsgebied van de universiteit. Artikel 24, § 4, van de Grondwet is van toepassing op het universitair onderwijs, zodat de verplichting van de Gemeenschap om op heel haar grondgebied een neutraal en voor iedereen toegankelijk onderwijs te verstrekken, een aangepaste behandeling voor de « Université de Liège » verantwoordde.

A.17.1. Ten aanzien van het tweede middel preciseren de verzoekende partijen dat, volgens het advies van de Raad van State, alle universitaire academies bij bijzonder decreet moesten worden georganiseerd, zodat een eventuele gedeeltelijke vernietiging waarnaar de Franse Gemeenschap verwijst, niet pertinent zou zijn, omdat die zou leiden tot een dubbele regeling, wat de wetgever niet heeft gewild. Zij hebben dus belang bij het middel.

A.17.2. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het middel vormen de beoogde bepalingen, in zoverre zij op de academies van toepassing zijn, een onlosmakelijk geheel en hadden zij het voorwerp van een bijzonder decreet moeten uitmaken, vermits artikel 24, § 2, van de Grondwet van toepassing is : de Gemeenschap, als inrichtende macht, delegeert bevoegdheden aan de academies, autonome organen die rechtspersoonlijkheid genieten en over een eigen vermogen beschikken. Artikel 24, § 2, van de Grondwet vereist geen volledige overdracht van bevoegdheden, zoals dat voortvloeit uit een deel van de rechtsleer en uit de lering van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel herinneren de verzoekende partijen alleen aan de inhoud van hun verzoekschrift.

A.18.1. Ten aanzien van het derde middel herinneren de verzoekende partijen eraan dat het Arbitragehof, via de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, waakt over de naleving van de grondbeginselen van de Belgische rechtsorde, waaronder de fundamentele rechten die zijn verankerd in het rechtstreeks van toepassing zijnde supranationale recht, alsook de rechten die zijn erkend in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, dat een belangrijke referentieparameter en een gemeenschappelijke noemer van de essentiële juridische waarden van de lidstaten vormt. Het is op zijn minst geenszins uitgesloten dat het Handvest kan worden gebruikt om de andere in het middel aangevoerde bepalingen te interpreteren.

A.18.2. De Franse Gemeenschap kan niet uitleggen waarom het vereist is om het tijdelijke karakter van de opdrachten in te stellen en het onderwijzend korps aldus in een positie van eeuwige bedelaar te plaatsen. Het recht om kritiek te uiten dat in de academische vrijheid is verankerd, moet het de hoogleraren mogelijk maken standpunten te uiten die niet overeenstemmen met die van de overheden die over de verlenging of de wijziging van de opdrachten beslissen, wat door de principiële detitularisering van de opdrachten niet meer mogelijk zal zijn. Ten slotte zijn een aantal waarborgen om te voorkomen dat een opdracht om andere redenen dan het algemeen belang zou worden ingetrokken, bijvoorbeeld wegens de ideologische of filosofische overtuiging van de betrokkene, afgeschaft omdat zij als verouderd werden beschouwd.

Hoewel de verlenging of de intrekking van de opdracht moet plaatshebben met naleving van het door de universiteiten opgestelde reglement, wordt de inhoud van dat reglement nergens gepreciseerd in het decreet, zodat de universiteiten over een discretionaire bevoegdheid ter zake beschikken. Het is aldus veelbetekenend dat, aan de « Université de Liège », de academische overheden hebben overwogen om het reglement met betrekking tot de opdrachten op te nemen in deontologische bepalingen. Bovendien heeft de aan de hoogleraren geboden bescherming voortaan een reglementaire waarde en worden ernstige ontsporingen mogelijk gemaakt door een regeling waarin de beslissing betreffende een mogelijke afwijkende zienswijze wordt overgelaten aan een van de protagonisten. Ten slotte hebben de aangeklaagde bepalingen geenszins tot gevolg dat de academische mobiliteit wordt verzekerd, vermits, mocht zulks het geval zijn, de intrekking van een opdracht voor de betrokkene gepaard zou moeten gaan met de correlatieve toekenning van een nieuwe opdracht.

Memorie van wederantwoord van de Franse Gemeenschapsregering

A.19.1. Ten aanzien van het eerste middel verwijst de Franse Gemeenschapsregering naar de argumentering in haar memorie, aangezien de verzoekende partijen geen enkel specifiek antwoord geven in verband met de ontvankelijkheid van het middel of de gegrondheid ervan.

A.19.2. Voor het overige strekken de geografische bevoegdheden ertoe een reeds lang bestaande situatie vast te zetten, waarbij de administratieve en historische zetel van de « Université de Liège » zich op honderd kilometer van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bevindt. Bovendien wordt de mogelijkheid om externe samenwerkingen aan te gaan, in het arrest nr. 44/2005 beschouwd als een verantwoording voor het feit dat de Vlaamse decretale bepalingen die in het kader van het hoger onderwijs sommige associaties opleggen, geen discriminerend karakter hebben. Mocht artikel 24, § 4, van de Grondwet te dezen van toepassing zijn, vereist het ten slotte geen enkel evenwicht tussen de netten en verplicht het nog minder om op het hele grondgebied van de Gemeenschap een rechtstreeks door de Gemeenschap ingericht onderwijs te organiseren.

A.20.1. Ten aanzien van het tweede middel is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat de verzoekende partijen geen enkel belang hebben bij het middel, aangezien zij geen enkel rechtstreeks voordeel voor hun situatie aantonen, indien het middel zou worden ingewilligd. Mocht het middel gegrond worden geacht, zou overigens alleen nog de rond de « Université de Liège » opgerichte academie als onregelmatig kunnen worden beschouwd om reden dat de bestreden bepalingen niet met een tweederde meerderheid zijn aangenomen, wat de « Université de Liège » in een benadeelde positie zou plaatsen ten opzichte van de andere universitaire instellingen die over een volledige bevoegdheid beschikken.

A.20.2. Mocht het eerste onderdeel van het middel, bij ontstentenis van nauwkeurigheid, niet onontvankelijk worden verklaard, zou het in elk geval niet gegrond zijn, vermits artikel 24, § 2, van de Grondwet alleen van toepassing is op een volledige overdracht van bevoegdheden aan een autonoom orgaan, wat te dezen niet het geval is.

A.20.3. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel stelt de Franse Gemeenschapsregering vast dat de verzoekende partijen kritiek uiten op de beperkingen van de vrijheid van vereniging van de universiteiten binnen de academies, terwijl geen enkele van die beperkingen de situatie van de universiteiten ongunstig wijzigt ten opzichte van de vóór de inwerkingtreding van het bestreden decreet bestaande situatie. In ondergeschikte orde stelt de Regering vast dat de vrijheid van vereniging het voorwerp kan uitmaken van vrij nauwkeurige werkingsregels, waarbij de wetgever over een zekere beoordelingsmarge beschikt.

A.21.1. Ten aanzien van het derde middel is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat het beginsel van de academische vrijheid niet wordt beoogd door de in artikel 24 van de Grondwet afgekondigde vrijheid van onderwijs en dat de andere internationaalrechtelijke bepalingen die de verzoekende partijen aanvoeren, niet relevant zijn, omdat zij geen referentienorm van intern recht vinden. Het middel dat in hun memorie van antwoord opnieuw wordt geformuleerd, via de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is nieuw en komt derhalve te laat. De argumentatie steunt overigens hoofdzakelijk op het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, terwijl dat laatste geen enkele autonome bindende waarde heeft en het, ook al zou kunnen worden beschouwd dat het een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht instelt, quod non, alleen van toepassing zou zijn op de intracommunautaire betrekkingen, zonder rechtstreeks gevolg voor de louter interne betrekkingen.

A.21.2. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het middel kan de wetgever, met het oog op het algemeen belang, financierings- of subsidievoorwaarden opleggen die de academische vrijheid beperken. Het is overigens niet de opdracht die tijdelijk wordt, maar de inhoud ervan, teneinde de academische mobiliteit te bevorderen en de academische kwaliteiten van elkeen te doen overeenstemmen met de inhoud van het onderwijs. Het decreet brengt aldus een evenwicht tot stand tussen de individuele academische vrijheid en het algemeen belang van de kwaliteit van het onderwijs.

A.21.3. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel vergissen de verzoekende partijen zich in de draagwijdte van artikel 24, § 5, van de Grondwet, dat geen enkele verplichting inhoudt om wetgevend op te treden. Door kritiek te uiten ten aanzien van een te discretionair geachte bevoegdheid van de universiteiten, bekritiseren de verzoekende partijen een lacune en niet een ongrondwettige delegatie. Het is echter niet redelijk van de wetgever te eisen dat hij de voorwaarden voor het al dan niet verlengen van de inhoud van de opdracht nader vaststelt, vermits hij de wezenlijke bestanddelen ervan bepaalt. De wet van 28 april 1953 preciseerde overigens evenmin de voorwaarden voor de verlenging van de opdracht, zodat de verzoekende partijen geen belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepalingen en de noodzaak om te voorzien in een detitularisering werd overigens reeds onderstreept in de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 juni 1985 tot wijziging van de voormelde wet van 28 april 1953. Ten aanzien van de tweede grond van het tweede onderdeel van het middel wordt alleen artikel 161 door die laatste grief beoogd, die de verzoekende partijen overigens niet meer hebben behandeld in hun memorie van antwoord.

Memorie van wederantwoord van de Vlaamse Regering

A.22. Ten aanzien van het tweede middel verwijst de Vlaamse Regering naar de memorie van de Franse Gemeenschapsregering en, wat de actieve vrijheid van onderwijs en de vrijheid van vereniging betreft, verwijst zij naar de overwegingen B.17 tot B.22.4 van het arrest nr. 44/2005 betreffende het Vlaamse decreet dat het hoger onderwijs in Vlaanderen herstructureert door te voorzien in « associaties » tussen instellingen van hoger onderwijs, in het bijzonder het voorbehoud van grondwetsconforme interpretatie met betrekking tot de associaties die bestaan uit publiekrechtelijke en privaatrechtelijke partners. Voor het overige is de Vlaamse Regering van mening dat de verzoekende partijen geen specifieke schending van artikel 24, § 5, van de Grondwet aanvoeren.

Memories van wederantwoord van de « Université libre de Bruxelles » en van de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles »

A.23.1. De tussenkomende partijen herinneren aan het arrest nr. 38/94 en zijn in hoofdorde van mening dat het eerste middel niet ontvankelijk is, daar de verzoekende partijen niet aantonen dat hun situatie rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt. De bestreden bepalingen zijn immers bedoeld om te worden toegepast op de universitaire instellingen en de academies, en niet op de leden van hun personeel, zodat alleen de « Université de Liège » per hypothese zou kunnen stellen dat zij door de in het geding zijnde bepalingen wordt benadeeld; het verband tussen de bestreden normen en de verzoekende partijen is bijgevolg indirect.

A.23.2. In ondergeschikte orde is het eerste middel niet gegrond, waarbij de verzoekende partijen overigens niet het beginsel zelf van de territoriale beperking van de bevoegdheden betwisten. Het belang van de verzoekende partijen valt samen met dat van de « Université de Liège », waarvan de Franse Gemeenschap de inrichtende macht is : het bestreden decreet vormt slechts een zelfbeperking van de Franse Gemeenschap bij de organisatie van haar eigen onderwijs, zodat de vrijheid van onderwijs niet zou kunnen zijn geschonden.

A.23.3. Ook al zou de vrijheid van onderwijs te dezen kunnen worden aangevoerd, toch vormen de bestreden bepalingen een adequate en relevante beperking van die vrijheid. Het bestreden decreet beoogde immers de « Bologna-verklaring » toe te passen, wat een wijziging van de structuren van het hoger onderwijs inhield. In dat kader tracht de geografische beperking van de bevoegdheden een evenwicht tot stand te brengen tussen, enerzijds, de wil van de universiteiten om hun zichtbaarheid te verbeteren en de noodzaak om een nabijgelegen gediversifieerd opleidingsaanbod te organiseren en, anderzijds, de zorg om de beschikbare budgettaire limieten in acht te nemen.

A.23.4. Die geografische beperking is evenredig, vermits de wetgever ervoor heeft gezorgd het basisaanbod van de opleidingen – alleen de eerste twee cycli zijn immers bij de geografische bevoegdheden betrokken – op coherente wijze te verdelen over het grondgebied van de Franse Gemeenschap, waarbij de regeling van de geografische bevoegdheden in het algemeen overigens alleen kan worden begrepen samen met de regeling van de samenwerkingen, academies, partnerships en fusies, die bij het bestreden decreet wordt ingericht. In dat opzicht is de academie die rond de « Université de Liège » is opgericht, gespreid over drie van de vijf provincies van de Franse Gemeenschap en kan de « Université de Liège » partnerships of verenigingen vormen met andere instellingen van hoger onderwijs, zodat zij niet geografisch is « beperkt » tot alleen de kantons waarvoor zij bevoegd is om een universitair basisonderwijs in te richten.

A.23.5. De geografische beperking van de bevoegdheden is niet in tegenstrijd met de opdrachten van het hoger onderwijs, die passen in een perspectief van mobiliteit, samenwerking en internationale uitwisselingen, en zal de « Université de Liège » niet beletten een Europese dimensie aan te nemen. De verplichting om op het hele grondgebied van de gemeenschappen een neutraal onderwijs in te richten, betreft overigens alleen het verplicht onderwijs en niet het hoger onderwijs : alleen het feit dat de « Université de Liège » een universiteit is waarvan de Franse Gemeenschap de inrichtende macht is, zou dus niet verantwoorden dat haar ter zake een specifieke behandeling wordt toegestaan. Ten slotte vormen de kieskantons een objectief en relevant criterium om de geografische bevoegdheden toe te kennen, die bovendien overeenstemmen met de situatie die vóór de aanneming van het decreet bestond.

A.24.1. De tussenkomende partijen zijn in hoofdorde van mening dat het tweede middel bij ontstentenis van belang onontvankelijk is, daar, enerzijds, het belang onvoldoende geïndividualiseerd is, zodat de beroepen zich niet onderscheiden van een actio popularis en, anderzijds, het verband tussen de situatie van de verzoekende partijen en de bestreden normen onrechtstreeks is.

A.24.2. In ondergeschikte orde zijn de tussenkomende partijen van mening dat het tweede middel niet gegrond is, waarbij zij herinneren aan de motieven van de decreetgever, volgens welke artikel 24, § 2, van de Grondwet te dezen niet van toepassing is. Het doel van het decreet bestaat immers erin een juridisch kader te scheppen voor interuniversitaire samenwerkingen die reeds vóór de aanneming van het decreet bestonden en niet de bevoegdheid om onderwijs in te richten aan een autonoom orgaan te delegeren : ook al verkrijgen de academies eigen opdrachten, toch beschikken de rectoren van elke universiteit over een vetorecht en moet elke beslissing van de academie worden bekrachtigd door de raden van beheer van de betrokken universiteiten.

Wanneer hij de tweede paragraaf van artikel 24 heeft aangenomen, wilde de Grondwetgever tegemoet komen aan de wil van de Vlaamse Gemeenschap om, als inrichtende macht, haar bevoegdheden inzake de organisatie van het onderwijs van de Staat over te dragen aan een autonoom orgaan, wat zij bij bijzonder decreet heeft gedaan ten gunste van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (ARGO). Uit het voornemen van de Grondwetgever blijkt duidelijk dat het orgaan waaraan de bevoegdheden zijn gedelegeerd, in de plaats moet treden van de regering van de betrokken gemeenschap, wat niet het geval is voor de academies : in zoverre zij de interuniversitaire samenwerkingen formaliseren, treden de academies niet in de plaats van de Franse Gemeenschapsregering, die inzake hoger onderwijs als inrichtende macht volledig bevoegd blijft; de « Université de Liège » behoudt haar individualiteit, haar rechtspersoonlijkheid en haar statuten.

A.25.1. De tussenkomende partijen zijn van mening dat het tweede onderdeel van het tweede middel een derde middel vormt en zijn in hoofdorde van mening dat de verzoekende partijen niet beschikken over een rechtstreeks en persoonlijk belang bij dat middel, daar zij zich ertoe beperken de schending van de vrijheid van vereniging van de universiteiten en niet van hun eigen vrijheid van vereniging aan te voeren. Het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, waarop de verzoekende partijen volledig steunen, betrof overigens de vrijheid van vereniging van de vrije universiteiten, terwijl de verzoekende partijen lid zijn van een universiteit die onder de Franse Gemeenschap ressorteert.

A.25.2. In ondergeschikte orde zijn de tussenkomende partijen van mening dat het middel niet gegrond is, vermits uit een vaste rechtspraak van het Hof voortvloeit dat de vrijheid van vereniging de decreetgever niet belet de toekenning van overheidssteun aan bepaalde voorwaarden te koppelen. Het is objectief en relevant om de universitaire instellingen te verbieden deel uit te maken van meerdere academies, aangezien het doel van de wetgever erin bestaat de zichtbaarheid van de leden van de academie in het kader van de Europese ruimte van het hoger onderwijs te bevorderen. Ten slotte worden de bepalingen die de bevoegdheden van de academies en de financieringswijze ervan vaststellen, niet door het middel beoogd, zodat de vernietiging van de aangeklaagde bepaling niet van dien aard zou zijn dat zij aan de grief van de verzoekende partijen tegemoet zou komen.

- B –

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. Artikel 37, § 1, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten (hierna : decreet van 31 maart 2004), bepaalt :

14

« De bevoegdheid om universitaire studies te organiseren en om academische graden toe te kennen die ze bekronen, is toegestaan aan een universitaire instelling of een universitaire academie. Onder de bevoegdheid valt een studiecyclus, maar ook de sites waar deze studies kunnen worden georganiseerd, met uitzondering van de werkzaamheden voor de voorbereiding van een doctoraal proefschrift.

Een site is een geografische locatie met infrastructuren die door instellingen voor hoger onderwijs wordt gebruikt voor hun activiteiten. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en elk kieskanton van het Waals Gewest worden beschouwd als afzonderlijke sites.

Een instelling kan een deel van de leeractiviteiten organiseren buiten deze gedefinieerde sites, in zoverre deze gedecentraliseerde activiteiten geen 15 studiepunten overschrijden per studiecyclus en nooit een splitsing van het onderricht veroorzaken ».

B.1.2. Artikel 38, vijfde lid (vierde lid in de Nederlandse vertaling), van hetzelfde decreet bepaalt :

« Bijlage III van het huidige decreet definieert de bevoegdheden van deze voorbereidende curricula vanaf het academiejaar 2004-2005 ».

B.1.3. Bijlage III, « Bevoegdheden om studiecycli aan de universiteit in te richten », van hetzelfde decreet legt, vanaf het academiejaar 2004-2005, de in artikel 38 van het decreet bedoelde lijst vast van de aan de universiteiten toegekende bevoegdheden betreffende de studies van de voorbereidende eerste en tweede cyclus, overeenkomstig bijlage I, en bepaalt de geografische bevoegdheden als volgt :

Afkorting

Universitaire instelling

Sites

Ulg

Université de Liège

1. Kantons Luik, Aywaille, Herstal, Seraing en Fléron

2. Kanton Aarlen

UCL

Université catholique de Louvain

1. Kanton Waver

2. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

3. Kanton Charleroi

ULB

Université libre de Bruxelles

1. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

2. Kanton Nijvel

3. Kanton Charleroi

4. Kanton Bergen

UMH

Université de Mons-Hainaut

1. Kanton Bergen

2. Kanton Charleroi

FSAGx

Faculté universitaire des Sciences agronomiques de Gembloux

1. Kanton Gembloux

2. Kanton Charleroi

15

FUNDP

Facultés universitaires Notre-Dame de la paix à Namur

1. Kanton Namen

2. Kanton Charleroi

FPMs

Faculté polytechnique de Mons

1. Kanton Bergen

2. Kanton Charleroi

FUSL

Facultés universitaires Saint-Louis

1. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

FUCaM

Facultés universitaires catholiques de Mons

1. Kanton Bergen

2. Kanton Charleroi

B.2. Artikel 67 van hetzelfde decreet bepaalt :

« Binnen de context van zijn onderwijsactiviteiten, moet elke verantwoordelijke voor onderwijs genieten van de academische vrijheid in het uitoefenen van deze opdracht. Dit houdt de keuze in van de pedagogische middelen, de wetenschappelijke en technische inhoud, de evaluatie en de diverse activiteiten die worden gehouden om de bijzondere doelstellingen te behalen – bedoeld in artikel 63, § 3 – van dit onderricht binnen het studieprogramma. Deze vrijheid wordt beoefend binnen het respect voor de bepalingen van dit decreet ».

B.3.1. Titel IV van hetzelfde decreet, bestaande uit de artikelen 90 tot 112, betreft de samenwerking tussen universiteiten in de vorm van universitaire academies (hoofdstuk I), fusies van universiteiten (hoofdstuk II) of partnerschappen met andere instellingen (hoofdstuk III).

B.3.2. In zoverre zij de universitaire academies betreffen en daarmee een onlosmakelijk geheel zouden vormen, worden tevens de artikelen 6, § 1, 7, 14, § 1, 17, § 2, 37, §§ 1 en 2, 40, 41, 48, 66, 68, § 3, 71, 83, § 1, 87, 117, § 1, 122, 125, § 2, 159, § 2, 190 en bijlage IV van hetzelfde decreet aangevochten.

B.4.1. Artikel 138 van hetzelfde decreet wijzigt artikel 21 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat als volgt :

« 1° § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :

‘ Tot het onderwijzend personeel behoren de gewone hoogleraren, de buitengewone hoogleraren, de hoogleraren en de docenten. ’

2° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :

‘ De Raad van Beheer bepaalt de opdracht van elk lid van het onderwijzend voltijds of deeltijds personeel en duidt het of de organen aan waartoe het personeelslid behoort. De Raad deelt deze beslissing mee aan de Regering. ´

3° alinea 3 van § 5 wordt ingetrokken;

4° § 8 wordt vervangen door de volgende bepaling :

‘ Zonder afbreuk te doen aan artikel 32, bepaalt de Raad van Beheer, voor een beperkte duur die hij bepaalt en die geen vijf jaar overschrijdt, de inhoud van de opdracht van elk lid van het onderwijzend korps, met name de toegekende cursussen, de onderzoeksactiviteiten en de dienstverlening voor de gemeenschap.

De inhoud van de opdracht wordt voor de eerste keer bepaald bij de benoeming. Ze wordt herzien en eventueel aangepast aan het einde van elke periode, volgens een algemeen reglement opgesteld door de Raad van Beheer en aangenomen door een tweederde meerderheid van de aanwezige leden.

De vernieuwing of de verandering van de inhoud van de opdracht gebeurt na de mening van de betrokkene en/of van de organen waaronder de opdracht valt.

De beslissing van de Raad van Beheer wordt meegedeeld aan de betrokkene. ´ ».

B.4.2. Artikel 139 van hetzelfde decreet wijzigt artikel 22, § 1, van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat als volgt :

« De Raad van Beheer benoemt de leden van het onderwijzend personeel binnen één van de domeinen opgesomd in artikel 31 van het decreet van 31 maart 2004 betreffende de vaststelling van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte voor het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten.

Zonder afbreuk te doen aan de bijzondere voorwaarden vastgelegd in deze wet, kan niemand worden benoemd als docent als hij geen houder is van een doctoraal diploma met proefschrift. De vrijstellingen in verband met deze voorwaarde kunnen, na advies van het orgaan waaronder de opdracht valt, worden toegestaan door de Raad van Beheer in uitzonderlijke omstandigheden die deugdelijk zijn gemotiveerd.

Zonder afbreuk te doen aan de bijzondere voorwaarden vastgesteld door deze wet, kan niemand tot gewoon hoogleraar worden benoemd nadat hij de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt.

De rector meldt de beslissing van de benoeming aan de Regering binnen de acht dagen die volgen op de deliberatie van de Raad van Beheer. De Regering keurt de benoeming goed binnen een termijn van veertig dagen volgend op het versturen van de verwittiging van de beslissing door de Rector. Na deze termijn wordt de goedkeuring als toegestaan beschouwd. De rector licht de Raad van Beheer erover in tijdens de volgende sessie; hij meldt ook de goedkeuring van de beslissing aan de betrokkene en vraagt de publicatie ervan aan in het Staatsblad.

De benoeming gaat van kracht ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op de beslissing van de Raad van Beheer ».

B.4.3. Artikel 141 van hetzelfde decreet wijzigt artikel 31 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat als volgt :

« 1° in § 1, alinea 1, worden de woorden ‘ , § 1, en de benamingen bedoeld in artikel 22, § 2, ´ toegevoegd tussen de woorden ‘ artikel 22 ´ en ‘ die de graad vermelden ´;

2° de alinea’s 2 tot 5 van § 1 worden ingetrokken;

3° alinea 6 van § 1 wordt vervangen door :

‘ In geval van werkvakantie, worden de inhoud van de oproep voor kandidaten alsook de termijn voor het indienen van de kandidaturen vastgesteld door de Raad van Beheer. ´

4° alinea 7 van § 1 wordt ingetrokken ».

B.4.4. Artikel 142 van hetzelfde decreet wijzigt artikel 32 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat als volgt :

« 1° in § 1 worden de woorden ‘ het besluit ´ vervangen door ‘ de mening ´;

2° § 2 wordt opgeheven ».

B.4.5. Artikel 161 van hetzelfde decreet bepaalt :

« Voor de toepassing van artikel 21, § 8, van de wet van 28 april 1953 over de organisatie van universitair onderwijs door de Staat, zoals aangepast door dit huidige decreet, wordt voor de leden van het onderwijzend personeel benoemd op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, de inhoud van de opdracht zoals ze bestaat aan de vooravond van deze datum bevestigd voor een periode van minstens drie jaar en maximum vijf jaar, vanaf deze datum ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen

B.5.1. De verzoekende partijen, die allen hoogleraar, docent, assistent of onderzoeker aan de « Université de Liège » zijn, voeren zowel een persoonlijk als een functioneel belang aan om de vernietiging voor het Hof te vorderen.

B.5.2. De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de verzoekende partijen om in rechte te treden.

B.6. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.7. Het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 strekt ertoe het hoger onderwijs te doen evolueren naar een grotere algemene samenhang :

« Het gaat erom zeer natuurlijke ontwikkelingen aan te geven, die volgen uit de toename van de omvang van de kennis en het verschijnen van actieve methodes in het onderwijs, enerzijds, en die worden beïnvloed door de democratisering van dat onderwijs, anderzijds. Het gaat ook erom de grondslagen te leggen van de samenwerking tussen instellingen, vooral tussen universitaire instellingen, die nog steeds afhankelijk zijn van de in de wetten van 1911 en 1971 vastgestelde structuren. Hierdoor gaat het eveneens erom op positieve wijze deel te nemen aan het openstellen (of opnieuw openstellen) van een Europese ruimte van het hoger onderwijs, waarvan de gemeenschappelijke doelstellingen worden uitgewerkt op basis van opeenvolgende verklaringen van Europese Staten die willen samenwerken om die ruimte tot stand te brengen, de onderlinge erkenning en de academische mobiliteit te bevorderen, en van de voor Europa kenmerkende culturele diversiteit een extra troef in het voordeel van de studenten te maken » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2003-2004, nr. 498/1, p. 2).

Die openstelling van de Europese ruimte van het hoger onderwijs wordt doorgaans het « Bologna-proces » genoemd.

B.8.1. De bestreden bepalingen voorzien erin dat, enerzijds, aan de universitaire instellingen de bevoegdheid wordt toegekend om per « site », namelijk een geografische locatie met infrastructuren die door instellingen voor hoger onderwijs voor hun activiteiten wordt gebruikt (artikel 37, § 1), universitaire studiecycli in te richten, waarbij die bevoegdheden worden gedefinieerd in bijlage III van het decreet van 31 maart 2004 (artikel 38, vijfde lid (vierde lid in de Nederlandse vertaling)).

B.8.2. In titel IV « Samenwerking tussen universiteiten » voorzien zij, anderzijds, in de oprichting van universitaire academies (artikelen 90 tot 106), alsook in de mogelijkheid van fusies van universiteiten (artikelen 107 tot 110) of van partnerschappen met andere instellingen (artikelen 111 en 112).

B.8.3. Ten slotte definiëren zij de academische vrijheid van iedere verantwoordelijke voor onderwijs (artikel 67) en wijzigen zij de wet van 28 april 1953 « betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat », op het vlak van de wijze van benoeming (artikelen 139 en 141) alsook door te voorzien in het beginsel van de tijdelijke toewijzing van de inhoud van de lesopdrachten – of het beginsel van de « detitularisering » – (artikel 138), waarbij de betrokkene, wanneer zijn opdracht wordt gewijzigd, alleen om advies wordt gevraagd (artikel 142). Het beginsel van de « detitularisering » is van toepassing op de leden van het onderwijzend personeel die benoemd zijn op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 31 maart 2004, waarbij de inhoud van de aan de vooravond van die datum bestaande opdracht wordt bevestigd voor een periode van minstens drie jaar en maximum vijf jaar (artikel 161).

B.9.1. De verzoekende partijen zijn van mening dat zij door de bestreden bepalingen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt en voeren, ter ondersteuning van hun persoonlijk belang, aan dat het bestreden decreet hun situatie grondig wijzigt doordat, enerzijds, het gevaar bestaat dat de structuur van het onderwijs wordt gewijzigd, daar de universitaire academies niet over eigen personeel beschikken, en, anderzijds, het ambt van lesgever wordt losgekoppeld van de toegewezen lesopdracht.

B.9.2. Ter ondersteuning van hun functioneel belang voeren zij tevens aan dat de geografische beperking van de « Université de Liège » of de beperking van de vrijheid van vereniging van de universiteiten door de oprichting van de universitaire academies, afbreuk kunnen doen aan de prerogatieven die zijn verbonden aan hun ambt van hoogleraar, docent, assistent of onderzoeker aan de « Université de Liège ». Door te eisen dat de academische vrijheid wordt beoefend « binnen het respect voor de bepalingen van dit decreet » zou artikel 67 van het decreet overigens een rechtstreeks verband tot stand brengen tussen de situatie van de verzoekende partijen en alle in de beroepen beoogde bepalingen.

B.10.1. Zonder dat het noodzakelijk is om na te gaan of het door de verzoekende partijen aangevoerde functioneel belang onderscheiden is van hun persoonlijk belang, stelt het Hof vast dat de verzoekende partijen, die hoogleraar of docent zijn, bij de uitoefening van hun beroep rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt door de bepalingen betreffende de academische vrijheid en de toewijzing, hernieuwing of wijziging van de lesopdrachten.

Zij doen bijgevolg blijken van het vereiste belang om de vernietiging van die bepalingen te vorderen.

B.10.2. In zoverre zij in rechte treden in de hoedanigheid van hoogleraar, docent, assistent of onderzoeker, alsook op persoonlijke titel, worden de verzoekende partijen daarentegen niet rechtstreeks en ongunstig geraakt door bepalingen die aan de instellingen voor hoger onderwijs geografische bevoegdheden toekennen of die voorzien in vormen van samenwerking tussen universiteiten. Dergelijke bepalingen kunnen hun situatie weliswaar indirect beïnvloeden, maar het is de universiteit zelf die rechtstreeks door die bepalingen wordt getroffen.

Ten aanzien van die bepalingen doen zij dus niet blijken van het rechtens vereiste belang.

Voor het overige volstaat artikel 67, door te bepalen dat de academische vrijheid wordt uitgeoefend « binnen het respect voor de bepalingen van dit decreet », niet om een rechtstreeks verband tot stand te brengen tussen de situatie van de verzoekende partijen en alle bepalingen van het decreet.

B.10.3. De beroepen zijn derhalve alleen ontvankelijk in zoverre ze zijn gericht tegen de artikelen 67, 138, 139, 141, 142 en 161 van het decreet van 31 maart 2004; voor het overige zijn ze onontvankelijk bij ontstentenis van belang.

B.11. Bovendien stelt het Hof vast dat, ten aanzien van die bepalingen, de in de verzoekschriften uiteengezette grieven alleen zijn gericht tegen de artikelen 67, 138, 142 en 161 van het decreet van 31 maart 2004, waarmee artikel 141 onlosmakelijk is verbonden; het beperkt zijn onderzoek dus tot die bepalingen.

Bijgevolg kunnen het eerste en het tweede middel niet worden onderzocht.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de tussenkomsten

B.12.1. De « Université libre de Bruxelles » en de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles » hebben memories van tussenkomst ingediend. Zij zijn van mening dat zij doen blijken van een belang bij de handhaving van de bestreden bepalingen.

B.12.2. Het belang van een tussenkomende partij onderscheidt zich van het belang van de verzoekende partij : het bestaat bij elke persoon die door de beslissing van het Hof met betrekking tot de bestreden norm in zijn situatie rechtstreeks kan worden geraakt.

B.13.1. Volgens de statuten van de « Université libre de Bruxelles » bestaat de opdracht van die universiteit met name in het ontwikkelen, overbrengen en toepassen van kennis door wetenschappelijk onderzoek en onderwijs, zonder enige politieke of ideologische belemmering.

B.13.2. De « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles » is opgericht ter uitvoering van het decreet van 31 maart 2004 en bestaat uit de « Université libre de Bruxelles », de « Université de Mons-Hainaut » en de « Faculté polytechnique de Mons ».

Op grond van artikel 91 van het decreet van 31 maart 2004 beschikt zij over een eigen vermogen en een rechtspersoonlijkheid die onderscheiden is van die van de instellingen die lid ervan zijn.

Volgens haar statuten en overeenkomstig de artikelen 99 en volgende van het decreet van 31 maart 2004 bestaat de opdracht van de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles » met name in het organiseren van opleidingen en studieprogramma’s en in het uitreiken van de diploma’s die overeenstemmen met de studies die zij organiseert en waarvoor zij bevoegd is.

B.13.3. De « Université libre de Bruxelles » en de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles » doen blijken van een belang om tussen te komen in beroepen die zijn gericht tegen decretale bepalingen die de structuur van het hoger onderwijs wijzigen door te voorzien in de toekenning, aan de universitaire instellingen, van geografische bevoegdheden om studiecycli te organiseren en samenwerking tussen universiteiten in de vorm van universitaire academies tot stand te brengen.

Zij doen daarentegen niet blijken van een belang om tussen te komen in het kader van beroepen die zijn gericht tegen een decretale bepaling met betrekking tot het uitoefenen van de academische vrijheid of tegen decretale bepalingen die de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat wijzigen, daar zij niet aan het toepassingsgebied van die wet zijn onderworpen.

B.14. Aangezien het belang van de tussenkomende partijen is beperkt tot de bepalingen van het decreet betreffende de geografische bevoegdheden en de oprichting van de universitaire academies, zijn de tussenkomsten niet ontvankelijk, vermits de gedeeltelijke onontvankelijkheid van de beroepen tot vernietiging, bij ontstentenis van belang, zoals uiteengezet in B.10.2 en B.10.3, leidt tot die van de tussenkomsten die daarop betrekking hebben.

Ten gronde

Ten aanzien van het derde middel

B.15. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de academische vrijheid gewaarborgd bij de artikelen 19 en 24 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, opgenomen onder titel II van de Grondwet voor Europa, en de artikelen 9 en 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, alsook uit de schending van het verbod om aangelegenheden inzake de inrichting van het onderwijs over te dragen, vervat in artikel 24, § 5, van de Grondwet, en van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet.

B.16.1. In een eerste onderdeel van het middel zijn de verzoekende partijen van mening dat het bestreden decreet afbreuk doet aan de fundamentele vrijheid die de academische vrijheid is, vermits die vrijheid in die zin is opgevat dat zij wordt uitgeoefend « binnen het respect voor de bepalingen van dit decreet » en vermits de bestreden bepalingen voortaan voorzien in de tijdelijke toewijzing van de lesopdrachten en de waarborgen opheffen die de lesgever geniet wanneer zijn opdracht wordt gewijzigd.

B.16.2. In een tweede onderdeel van het middel zijn de verzoekende partijen van mening dat het bestreden decreet, door geen enkele toelichting te geven over de essentiële elementen van de voorwaarden bij het al dan niet hernieuwen van de toegewezen opdracht, artikel 24, § 5, van de Grondwet schendt.

B.16.3. De verzoekende partijen zouden overigens worden gediscrimineerd ten opzichte van de andere ambtenaren, vermits hun opdracht mogelijk niet alleen wordt gewijzigd, maar tevens zonder meer kan worden opgeheven.

B.16.4. Ten slotte zou de onmiddellijke toepassing van het beginsel van de « detitularisering » zonder enige verantwoording twee onderscheiden categorieën van personen, namelijk de reeds benoemde hoogleraren en diegenen die dat nog niet zijn, op identieke wijze behandelen en aldus afbreuk doen aan de gewettigde verwachtingen van de verzoekende partijen, die de bij het decreet ingevoerde wijzigingen niet konden voorzien toen zij voor een universitaire loopbaan hebben gekozen.

B.17. Nu zij verschillende aspecten van de toewijzing, hernieuwing en wijziging van de lesopdrachten bekritiseren, onderzoekt het Hof de twee onderdelen van het middel gezamenlijk.

Ten aanzien van de academische vrijheid

B.18.1. De academische vrijheid houdt het beginsel in volgens hetwelk de lesgevers en de onderzoekers, in het belang zelf van de ontwikkeling van de kennis en van de verscheidenheid van de meningen, een zeer grote vrijheid moeten genieten om onderzoek te verrichten en om in de uitoefening van hun functies hun mening te uiten.

De academische vrijheid vormt dus een aspect van de vrijheid van meningsuiting, gewaarborgd bij zowel artikel 19 van de Grondwet als artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens; zij maakt deel uit van de vrijheid van onderwijs, gewaarborgd bij artikel 24, § 1, van de Grondwet.

B.18.2. Vermits de academische vrijheid begrepen is in twee grondwettelijke bepalingen waarvan het Hof de naleving dient te verzekeren, staat het aan het Hof na te gaan of de in het derde middel bestreden bepalingen de academische vrijheid niet op onevenredige wijze beperken.

B.18.3. Door te bepalen dat « de academische vrijheid wordt geëerbiedigd », bevestigt artikel 13 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, zelfs al heeft dit geen onmiddellijk bindend karakter, overigens ook de academische vrijheid als een « gemeenschappelijke waarde » van de Europese Unie.

Het is ook in het licht van die bepaling dat de in de artikelen 19 en 24, § 1, van de Grondwet vervatte academische vrijheid moet worden geïnterpreteerd.

B.19.1. De academische vrijheid is niet onbeperkt, vermits zij wordt uitgeoefend binnen hetzelfde normatieve kader als de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van onderwijs. De beperkingen van de academische vrijheid moeten bijgevolg worden onderzocht op basis van de voor die twee vrijheden toegelaten beperkingen.

B.19.2. Artikel 10.2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt dat de vrijheid van meningsuiting kan worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet worden voorgeschreven en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de bescherming van de doelstellingen van algemeen belang vermeld in die verdragsbepaling. Ook artikel 19 van de Grondwet laat beperkingen toe op de vrijheid van meningsuiting.

B.19.3. Evenzo is de vrijheid van onderwijs, die is gewaarborgd bij artikel 24, § 1, van de Grondwet, niet onbegrensd en staat zij niet eraan in de weg dat de decreetgever, met het oog op het algemeen belang en het verzekeren van de kwaliteit van het met overheidsmiddelen verstrekt onderwijs, bepaalde voorwaarden oplegt die de vrijheid van onderwijs beperken. Dergelijke maatregelen zouden als dusdanig niet kunnen worden beschouwd als een inbreuk op de vrijheid van onderwijs. Dat zou wel het geval zijn wanneer zou blijken dat de concrete beperkingen die aan die vrijheid worden gesteld, niet adequaat of onevenredig zijn ten aanzien van het nagestreefde doel.

B.20.1. Artikel 67 van het decreet van 31 maart 2004 bevestigt de academische vrijheid van « elke verantwoordelijke van een onderricht » « binnen de context van zijn onderwijsactiviteiten » en bepaalt dat die vrijheid « binnen het respect voor de bepalingen van dit decreet » wordt uitgeoefend.

Volgens de memorie van toelichting definieert die bepaling « de draagwijdte van de academische vrijheid van de lesgevers » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2003-2004, nr. 498/1, p. 11) .

B.20.2. Door in een decretale bepaling het beginsel van de academische vrijheid, afgeleid uit de artikelen 19 en 24, § 1, van de Grondwet, opnieuw te bevestigen, kan artikel 67 van het decreet van 31 maart 2004 niet ertoe leiden het toepassingsgebied ervan te beperken. Het zou derhalve niet tot gevolg kunnen hebben een vrijheid die de lesgevers op algemene wijze beschermt, te beperken tot pedagogische keuzes of uitsluitend tot de context van de onderwijsactiviteiten.

B.20.3. Door de uitoefening van de academische vrijheid afhankelijk te maken van « het respect voor de bepalingen van dit decreet » kan artikel 67 van het decreet geen bijkomende beperking invoeren naast die welke voor de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van onderwijs worden aanvaard.

Zo zou het niet ertoe kunnen leiden dat het recht om de bepalingen van het bestreden decreet te bekritiseren of ter discussie te stellen, in het gedrang zou kunnen komen, zonder de vrijheid van meningsuiting van de verantwoordelijken voor onderwijs op onevenredige wijze en zonder redelijke verantwoording te beperken.

B.20.4. Artikel 67 van het bestreden decreet dient dus in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich ertoe beperkt het beginsel van de academische vrijheid, dat voortvloeit uit de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van onderwijs, te herbevestigen door het uitdrukkelijk op te nemen in het kader van de herstructurering van het hoger onderwijs die bij dit decreet wordt georganiseerd.

Aldus geïnterpreteerd, schendt artikel 67 de artikelen 19 en 24, § 1, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de in het middel vermelde bepalingen, niet.

Ten aanzien van het beginsel van de « detitularisering »

B.21. De academische vrijheid vereist dat de onafhankelijkheid van de lesgevers ten aanzien van de universitaire instelling wordt gewaarborgd door de bepalingen die op hen van toepassing zijn.

Het Hof zal in het licht van die vereiste van onafhankelijkheid van de verantwoordelijken voor onderwijs de regels betreffende de toewijzing, hernieuwing of wijziging van de onderwijsopdrachten in het door de gemeenschap georganiseerde universitair onderwijs moeten onderzoeken.

B.22.1. De artikelen 138, 141, 142 en 161 van het decreet van 31 maart 2004 wijzigen de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat (hierna : wet van 28 april 1953). Die bepalingen zijn gewijd aan « de modernisering van de reglementering van de openbare universiteiten, voornamelijk de bijwerking van verouderde bepalingen in de wet van 1953 » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2003-2004, nr. 498/1, p. 5).

B.22.2. De artikelen 138 en 142 van het decreet van 31 maart 2004 voeren aldus het beginsel van de « detitularisering » in :

« Het lid van het academisch personeel wordt in vast verband benoemd, maar de inhoud van de aan hem toegewezen opdracht wordt regelmatig herzien door de raad van beheer. In geen enkel geval kan die herziening het voltijdse of deeltijdse karakter, noch de titels en de rechten van de lesgever wijzigen, overeenkomstig artikel 32 van de wet van 28 april 1953 » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2003-2004, nr. 498/1, p. 15).

B.22.3. Artikel 161 voorziet in de onmiddellijke toepassing van dat beginsel van « detitularisering » door de inhoud van de opdrachten zoals ze juist vóór de inwerkingtreding van het decreet bestaan, te bevestigen.

B.23.1. Door te voorzien in een tijdelijke toewijzing van de onderwijsopdracht en in een regelmatige herziening van die opdracht, komt artikel 138 van het decreet van 31 maart 2004 tegemoet aan de in de memorie van toelichting vermelde doelstelling om het hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap resoluut te plaatsen « in het perspectief van de interne, Europese en internationale mobiliteit » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2003-2004, nr. 498/1, p. 2).

In dat opzicht strekt het beginsel van de « detitularisering » ertoe tegemoet te komen aan een vraag van de « Université de Liège » zelf, teneinde « zich te richten op dezelfde bepalingen die in de vrije universiteiten van toepassing zijn » en systemen van interne mobiliteit te verkrijgen « die een betere organisatie van de universitaire instelling mogelijk kunnen maken » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2003-2004, nr. 498/3, p. 38).

B.23.2. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, kan het beginsel van de « detitularisering », vervat in artikel 138 van het decreet van 31 maart 2004, niet leiden tot een afschaffing van de opdracht, maar alleen tot een mogelijke wijziging van de inhoud van de opdracht, namelijk « de toegekende cursussen, de onderzoeksactiviteiten en de dienstverlening voor de gemeenschap » (artikel 21, § 8, van de wet van 28 april 1953, vervangen bij artikel 138 van het decreet van 31 maart 2004).

Een eventuele wijziging van de opdracht, zoals wordt gepreciseerd in de in B.22.2 aangehaalde memorie van toelichting, heeft dus geen invloed op de benoeming of de rechten van de lesgever, vermits artikel 32, § 3, van de wet van 28 april 1953, dat bij het decreet van 31 maart 2004 niet is gewijzigd, bepaalt :

« Een wijziging van de opdracht mag niet tot gevolg hebben dat de titels en de rechten waarvan de betrokkenen titularis zijn, worden gewijzigd, tenzij deze ermede instemmen ».

B.23.3. Het beginsel van de « detitularisering » heeft dus niet tot gevolg het door de verzoekende partijen aangevoerde onderscheid tussen de lesgevers en de andere ambtenaren in te voeren.

B.24.1. Gelet op de nagestreefde doelstellingen en op de draagwijdte van het beginsel van de « detitularisering » kan artikel 138 van het decreet van 31 maart 2004 op zich niet worden beschouwd als een onevenredige aantasting van de academische vrijheid, die geen definitieve toewijzing van dezelfde onderwijsopdracht inhoudt.

B.24.2. Er moet evenwel nog worden nagegaan of de voorwaarden voor de toepassing van het beginsel van de « detitularisering » in overeenstemming zijn met artikel 24, § 5, van de Grondwet en of zij de rechten van de lesgevers, en in het bijzonder hun onafhankelijkheid ten aanzien van de universitaire instelling, niet op onevenredige wijze beperken.

B.25.1. Artikel 24, § 5, van de Grondwet drukt de wil van de Grondwetgever uit om aan de bevoegde wetgever de zorg voor te behouden een regeling te treffen voor de essentiële aspecten van het onderwijs, wat de inrichting, erkenning of subsidiëring ervan betreft, doch verbiedt niet dat onder bepaalde voorwaarden opdrachten aan andere overheden worden toevertrouwd.

Die grondwettelijke bepaling vereist dat de door de decreetgever verleende delegaties alleen betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van de door hem vastgestelde beginselen. De gemeenschapsregering of een andere overheid zou daarmee de onnauwkeurigheid van die beginselen niet kunnen opvangen of onvoldoende omstandige beleidskeuzes niet kunnen verfijnen.

B.25.2. Door te bepalen dat de herziening en de eventuele wijziging van de inhoud van de opdracht gebeuren « volgens een algemeen reglement opgesteld door de Raad van Beheer en aangenomen door een tweederde meerderheid van de aanwezige leden », draagt de decreetgever geen enkel wezenlijk bestanddeel van de organisatie van het onderwijs over, maar vertrouwt hij integendeel de zorg om de voorwaarden inzake de hernieuwing en de eventuele wijziging van de opdracht te bepalen, toe aan het orgaan dat het meest geschikt is om de vereisten voor de goede werking van de universitaire instelling te beoordelen.

B.25.3. Artikel 142 van het decreet is in dat opzicht het gevolg van de keuze van de decreetgever om aan de raad van beheer de zorg over te laten om de waarborgen te bepalen inzake de hernieuwing en de eventuele wijziging van de opdracht, door sommige waarborgen op te heffen die in artikel 32, § 2, van de wet van 28 april 1953 waren opgenomen en die in tegenspraak met het beginsel van de « detitularisering » konden blijken te zijn.

B.25.4. Het decreet zelf voert echter een zeker aantal wezenlijke waarborgen voor de betrokkene in, vermits de artikelen 138 en 142 van het decreet bepalen dat de hernieuwing en de eventuele wijziging van de lesopdracht gebeuren na de mening van de betrokkene en van het of de organen waaronder de opdracht valt.

Zoals in B.23.2 eraan is herinnerd, waarborgt het onveranderd gebleven artikel 32, § 3, van de wet van 28 april 1953 bovendien de rechten van de betrokkene indien de opdracht eventueel wordt gewijzigd.

B.25.5. Artikel 138 van het bestreden decreet bepaalt dat de herziening en eventuele wijziging van de inhoud van de opdracht gebeuren volgens een algemeen reglement dat is opgesteld door de raad van beheer en dat is aangenomen door een tweederde meerderheid van de aanwezige leden.

Wanneer de betrokkene niet instemt met een voorstel van wijziging van de inhoud van de opdracht, is het noodzakelijk dat dat reglement specifieke procedurele waarborgen bevat die kunnen voorkomen dat die wijziging in werkelijkheid een dreigement of een drukmiddel vormt die de academische vrijheid belemmert en afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de lesgevers ten aanzien van de universitaire instelling.

B.25.6. Die waarborgen volstaan overigens opdat de onmiddellijke toepassing van het beginsel van de « detitularisering » waarin artikel 161 van het decreet van 31 maart 2004 voorziet, niet op discriminerende wijze afbreuk zou doen aan de gewettigde verwachtingen van de verzoekende partijen, die overigens, onder de gelding van de vroegere regeling, geen aanspraak konden maken op het feit dat de inhoud van de aan hen toegewezen opdracht in geen geval zou kunnen worden gewijzigd.

B.25.7. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat en onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.25.5, zijn de voorwaarden inzake de toepassing van het beginsel van de « detitularisering » niet in strijd met artikel 24, § 5, van de Grondwet, noch met de academische vrijheid die in de artikelen 19 en 24, § 1, van de Grondwet wordt gewaarborgd.

B.26. Het derde middel is niet gegrond.

Om die redenen,

Het Hof

verwerpt de beroepen, onder voorbehoud van de in B.20.4 en B.25.5 vermelde interpretaties.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 23 november 2005.

De griffier De voorzitter

P.-Y. Dutilleux M. Melchior

Gepost door: pingelaere | januari 4, 2006

113639633031770553

: “
U bent hier: vlaanderen.be > onderwijs en vorming > edulex
Decreetdatum laatste wijziging: 04/01/2006inhoudstafel

Decreet betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap
goedkeuringsdatum : 12 JUNI 1991
publicatiedatum : B.S.04/07/1991

COORDINATIE
Decr. 9-4-1992 – B.S. 16-5-1992
Decr. 9-4-1992 – B.S. 16-5-1992
Decr. 25-6-1992 – B.S. 11-7-1992
Decr. 23-7-1992 – B.S. 14-8-1992
Decr. 27-1-1993 – B.S. 19-2-1993
Decr. 15-12-1993 – B.S. 1-3-1994
Arr. nr. 31/94, 31-3-1994 – B.S. 16-4-1994
Decr. 13-7-1994 – B.S. 31-8-1994
Decr. 21-12-1994 – B.S. 16-3-1995
Decr. 5-4-1995 – B.S. 29-7-1995
Decr. 22-11-1995 – B.S. 6-2-1996
Decr. 22-12-1995 – B.S. 1-2-1996
Decr. 16-4-1996 – B.S. 12-6-1996
Arr. nr. 30/96, 15-5-1996 – B.S. 6-6-1996
Decr. 8-7-1996 – B.S. 5-9-1996
Decr. 24-7-1996 – B.S. 19-9-1996
Decr. 15-7-1997 – B.S. 21-8-1997
Decr. 23-6-1998 – B.S. 8-8-1998
Decr. 14-7-1998 – B.S. 29-8-1998; err. 1-12-1998
Decr. 19-12-1998 – B.S. 31-12-1998
Decr. 18-5-1999 – B.S. 20-7-1999
Decr. 18-5-1999 – B.S. 31-8-1999
Decr. 18-5-1999 – B.S. 27-1-2000
Decr. 22-12-1999 – B.S. 30-12-1999
Decr. 30-6-2000 – B.S. 25-7-2000
Decr. 30-6-2000 – B.S. 17-8-2000
Decr. 20-10-2000 – B.S. 16-12-2000
Decr. 22-12-2000 – B.S. 30-12-2000
Decr. 20-4-2001 – B.S. 13-7-2001
Decr. 7-12-2001 – B.S. 12-2-2002
B.Vl.R. 14-12-2001 – B.S. 9-4-2002
Decr. 21-12-2001 – B.S. 29-12-2001
Decr. 5-7-2002 – B.S. 19-9-2002
Decr. 14-2-2003 – B.S. 1-7-2003
Decr. 4-4-2003 – B.S. 14-7-2003
Decr. 4-4-2003 – B.S. 14-8-2003
Decr. 19-12-2003 – B.S. 31-12-2003
Decr. 19-3-2004 – B.S. 10-6-2004; err. B.S. 27-7-2004
Decr. 30-4-2004 – B.S. 28-7-2004
Decr. 30-4-2004 – “

Gepost door: pingelaere | januari 4, 2006

113638743072488352

: “
U bent hier: vlaanderen.be > onderwijs en vorming > edulex
Decreetdatum laatste wijziging: 04/01/2006inhoudstafel

Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006. (uittreksel)
goedkeuringsdatum : 23 DECEMBER 2005
publicatiedatum : B.S.30/12/2005

Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006.
HOOFDSTUK I. – Algemeen
Artikel 1.
Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.

HOOFDSTUK XII. – Recuperatiefonds Studietoelagen
Art. 21.
� 1. Er wordt een Recuperatiefonds Studietoelagen opgericht, hierna genoemd ‘het fonds’.
� 2. Het fonds is een begrotingsfonds in de zin van artikel 45 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende co�rdinatie van de wetten op de rijkscomptabiliteit.
� 3. Het fonds wordt gespijsd door alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen in uitvoering van artikelen 10, 11 en 22 van het decreet van 16 februari 2001 houdende regeling van de studietoelagen voor het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap evenals door alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen zoals bepaald in artikelen 47 en 48 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap.
� 4. Het fonds wordt aangewend voor de betaling van studiefinanciering overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 april 2004.
� 5. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het fonds.

HOOFDSTUK XXXII. – Inwerkingtreding
Art. 85.
Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2006, met uitzondering van : …”

Gepost door: pingelaere | december 27, 2005

arrest arbitragehof uza

Rolnummer 3678

Arrest nr. 185/2005

van 7 december 2005

A R R E S T

__________

In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, wat het Universitair Ziekenhuis Antwerpen betreft », ingesteld door de Algemene Centrale der Openbare Diensten.

Het Arbitragehof,

samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts,

wijst na beraad het volgende arrest :

*

* *

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 maart 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 maart 2005, heeft de Algemene Centrale der Openbare Diensten, met zetel te 1000 Brussel, Fontainasplein 9-11, beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 houdende wijziging van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, wat het Universitair Ziekenhuis Antwerpen betreft (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 2004, tweede editie).

De Universiteit Antwerpen, met zetel te 2000 Antwerpen, Prinsstraat 13, de Ministerraad en de Vlaamse Regering hebben elk een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Universiteit Antwerpen, de Ministerraad en de Vlaamse Regering hebben elk ook een memorie van wederantwoord ingediend.

Op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2005 :

- zijn verschenen :

. Mr. I. Martens, advocaat bij de balie te Gent, voor de verzoekende partij;

. Mr. H. Vermeire loco Mr. P. Devers, advocaten bij de balie te Gent, voor de Vlaamse Regering;

. Mr. C. Coen en Mr. J. Deridder, advocaten bij de balie te Antwerpen, voor de Universiteit Antwerpen;

. Mr. E. Jacubowitz en Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad;

- hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J. Spreutels verslag uitgebracht;

- zijn de voornoemde advocaten gehoord;

- is de zaak in beraad genomen.

De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

II. In rechte

- A –

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

A.1. De verzoekende partij, de Algemene Centrale der Openbare Diensten (hierna : A.C.O.D.), verklaart dat zij een representatieve vakorganisatie is in de zin van artikel 8 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en oordeelt dat zij belang heeft bij het beroep tot vernietiging, aangezien het bestreden decreet met zich meebrengt dat zij geen bevoegdheden meer heeft in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (hierna : U.Z.A.). Tot vóór het bestreden decreet kon de verzoekende partij haar prerogatieven in het U.Z.A. uitoefenen via sectorcomité 10, in de zin van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel; het U.Z.A. was immers een onderdeel van de Universiteit Antwerpen. Ten gevolge van het bestreden decreet krijgt het U.Z.A. een privaatrechtelijk karakter, waardoor de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en niet langer de wet van 19 december 1974 toepasselijk is.

A.2. De Universiteit Antwerpen betwist de ontvankelijkheid van het verzoekschrift. Zij is van oordeel dat de verzoekende partij als feitelijke vereniging niet de vereiste bekwaamheid heeft om voor het Hof een beroep in te stellen. Weliswaar zouden vakorganisaties zich ondanks hun hoedanigheid van feitelijke vereniging in bepaalde aangelegenheden op ontvankelijke wijze tot het Hof kunnen richten, maar daaraan zijn twee voorwaarden verbonden : de feitelijke vereniging moet de eigen statuten naleven inzake de vertegenwoordigingsbevoegdheid en het onderwerp van het beroep moet betrekking hebben op haar eigen prerogatieven als vakorganisatie.

Wat de eerste voorwaarde betreft, verzoekt de tussenkomende partij het Hof te onderzoeken of uit de door de verzoekende partij voorgelegde stukken blijkt dat de algemeen secretaris bevoegd is om de verzoekende partij te vertegenwoordigen.

Wat de tweede voorwaarde betreft, merkt de tussenkomende partij op dat de in het kader van de representativiteit in aanmerking te nemen belangen niet de eigen belangen van de verzoekende partij zijn, maar de verenigde belangen van haar leden in zoverre zij passen in de bijzondere rol die aan de vakorganisaties werd toegekend. In casu zou evenwel enkel het eigen belang van de verzoekende partij in het geding zijn om zelf en niet middels een andere vakorganisatie de belangen van haar huidige leden te blijven behartigen. Overigens zou dat gevolg niet ipso facto uit het bestreden decreet voortvloeien aangezien het werkingsgebied van de onderscheiden vakcentrales binnen de vakorganisaties zelf wordt geregeld en derhalve in het geval van de verzoekende partij allicht kan worden aangepast om tevens het U.Z.A. te omvatten. De tussenkomende partij is dan ook van oordeel dat, in zoverre het belang van de verzoekende partij ertoe beperkt is dat zij zelf als vakcentrale niet langer haar leden zou kunnen vertegenwoordigen, dit niet voldoende tegemoet komt aan het vereiste belang om op ontvankelijke wijze een beroep bij het Hof in te stellen.

A.3. De Vlaamse Regering merkt op dat de verzoekende partij, wil haar beroep tot vernietiging ontvankelijk kunnen zijn, dient te bewijzen dat de beslissing om dat beroep in te stellen en om C. Reniers, van wie in het verzoekschrift wordt gezegd dat ze algemeen secretaris is, aan te stellen als haar procesvertegenwoordiger, genomen is overeenkomstig haar eigen statuten.

A.4. In haar memorie van antwoord blijft de verzoekende partij erbij dat zij een persoonlijk belang heeft bij de vernietiging van het bestreden decreet. Zij had als representatieve vakorganisatie zitting in het onderhandelings- en overlegcomité waaronder de Universiteit Antwerpen ressorteerde. Dat prerogatief zou door het decreet worden geschonden. Voorts wijst de verzoekende partij erop dat haar belang reeds werd aanvaard in het arrest nr. 34/2005, dat op een nagenoeg identieke zaak betrekking had.

Op de excepties van onontvankelijkheid wegens gebrek aan vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt niet geantwoord.

Ten gronde

A.5.1. Het enige middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 38 en 39 van de Grondwet doordat het decreet voorziet in een « instelling zonder winstoogmerk ». De invoering van een nieuwe privaatrechtelijke rechtsvorm zou niet tot de toegewezen bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten maar tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid behoren.

A.5.2. Dat de decreetgever een privaatrechtelijke rechtspersoon heeft beoogd, blijkt volgens de verzoekende partij uit de parlementaire voorbereiding van het decreet. In de toelichting bij het voorstel van decreet werd verwezen naar de regeling die geldt voor de verzelfstandiging van de ziekenhuizen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Uit het feit dat die regeling gebaseerd is op het oprichten van private verenigingen leidt de verzoekende partij de wil van de decreetgever af om voor de activiteiten van het U.Z.A. een privaatrechtelijke instelling op te richten. Ook de artikelsgewijze commentaar wijst in die richting. Daarin is immers sprake van de toepassing van wetten en collectieve arbeidsovereenkomsten die enkel gelden voor privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, en de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 5 houdende het statuut van de vakbondsafvaardiging.

Ook de raad van bestuur van de Universiteit Antwerpen gaat ervan uit dat het U.Z.A. een privaatrechtelijke instelling is. Dat blijkt uit de beslissing van die raad van 4 november 2004 tot afsplitsing van het U.Z.A. en uit een nota van die raad, waarin het privaatrechtelijk karakter wordt toegelicht.

A.6.1. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het middel naar recht faalt, vermits de Vlaamse Gemeenschap, zowel op basis van haar onderwijsbevoegdheid (artikel 127 van de Grondwet) als op basis van haar bevoegdheid inzake het gezondheidsbeleid (artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen), gerechtigd is om, met toepassing van artikel 9 van die bijzondere wet, instellingen met rechtspersoonlijkheid op te richten, en de samenstelling, de bevoegdheid, de werking, het toezicht en de rechtspositie van het personeel te regelen. Dat zou uitdrukkelijk zijn bevestigd in het arrest nr. 34/2005.

A.6.2. De gemeenschappen zijn naar het oordeel van de Vlaamse Regering bevoegd om eigenmachtig het gehele statuut van hun instellingen uit te werken, zonder hierbij aan vooraf bestaande organisatievormen te zijn gebonden.

Met betrekking tot de bevoegdheid inzake onderwijs en het daaraan verbonden personeel zou de beperking van artikel 87, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen niet aan de orde zijn, terwijl uit het arrest nr. 44/2005 blijkt dat artikel 87, § 5, van dezelfde bijzondere wet moet wijken voor artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet.

Alleen wanneer de gemeenschappen, bij de uitoefening van hun eigen bevoegdheid, gebruik maken van (privaatrechtelijke) technieken die met het vennootschapsrecht of het rechtspersonenrecht verband houden, zou de vraag rijzen naar een eventuele schending van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen of, meer algemeen, van de in het middel aangevoerde artikelen 38 en 39 van de Grondwet. Dat is te dezen niet het geval, zo meent de Vlaamse Regering, omdat de in het geding zijnde instelling noch een vennootschap is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van vennootschappen zoals ingevoerd bij de wet van 7 mei 1999, noch een vereniging zonder winstoogmerk zoals bedoeld in de wet van 27 juni 1921 en evenmin een rechtspersoon bedoeld in hoofdstuk XIIbis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, maar een rechtspersoon sui generis, waarvan het decreet zelf de samenstelling en de bevoegdheden van de organen, de minimale regels van de statuten, het aanvangspatrimonium en de rechtsopvolging, alsmede de werkingsregels, met inbegrip van een verplichte beheersovereenkomst met de Universiteit Antwerpen, vastlegt.

A.7.1. De Universiteit Antwerpen is van oordeel dat het middel ongegrond is en dat het irrelevant is of de nieuwe rechtspersoon die in het bestreden decreet tot stand wordt gebracht publiekrechtelijk dan wel privaatrechtelijk van aard is. Uit artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen blijkt dat er geen discussie kan bestaan over de bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten om tot de oprichting van nieuwe rechtspersonen over te gaan en dat die bevoegdheid niet beperkt is tot het oprichten van publiekrechtelijke instellingen. Uit de parlementaire voorbereiding van dat artikel blijkt dat niet is vereist dat voor de nieuw op te richten instellingen een organiek decreet wordt opgesteld, doch dat de bepalingen inzake werking, toezicht en dergelijke telkens in een specifiek en afzonderlijk decreet kunnen worden opgenomen.

A.7.2. De tussenkomende partij verwijst voorts naar het arrest nr. 34/2005, waaruit blijkt dat de decreetgever bevoegd is om nieuwe rechtsvormen in het leven te roepen en daaraan rechtspersoonlijkheid te verlenen, waarbij het enkel verboden is daarbij te raken aan de federaal vastgelegde regels inzake handels- en vennootschapsrecht. Ten slotte merkt zij op dat de rechtsfiguur van de instelling zonder winstoogmerk ook reeds door de Franse Gemeenschap wordt gebruikt, bijvoorbeeld in het decreet van 17 juli 2002 betreffende de erkenning en betoelaging van de musea en andere museale instellingen. Volgens de verzoekende partij is de verwijzing naar dat decreet evenwel niet relevant.

A.8.1. In zijn memorie is de Ministerraad van oordeel dat, rekening houdend met het arrest nr. 34/2005, niet onmiddellijk tot de aanmatiging van een federale bevoegdheid kan worden besloten.

A.8.2. Na kennisname van de memories ingediend door de Vlaamse Regering en de Universiteit Antwerpen vraagt de Ministerraad zich echter af op welke rechtsgrond de Vlaamse decreetgever zich baseert om een nieuwe privaatrechtelijke rechtsvorm in het leven te roepen en waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de bestaande rechtsvormen zoals ingevoerd door de federale wetgeving, inzonderheid de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. Indien men aanvaardt dat de decreetgever een sui generis-vorm van privaatrechtelijke rechtspersoon kan creëren, vreest de Ministerraad dat het hek van de dam is. De bevoegdheid van de federale wetgever om de vormen van privaatrechtelijke rechtspersonen te bepalen, zou worden uitgehold wanneer ze niet meer dwingend zou zijn voor de gemeenschappen, de gewesten en de rechtspersonen die zij creëren.

Om die redenen sluit de Ministerraad zich in haar memorie van wederantwoord aan bij het enige middel van de verzoekende partij.

- B –

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. Het bestreden decreet vervangt artikel 9 van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen.

Volgens de eerste paragraaf van dat nieuwe artikel 9 is het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (hierna : U.Z.A.) een instelling zonder winstoogmerk, die krachtens het decreet rechtspersoonlijkheid verwerft, zodra de beslissing tot afsplitsing van het U.Z.A. door de Universiteit Antwerpen is genomen. De paragrafen 2 tot en met 6 bevatten bepalingen die handelen over het doel, de statuten, de organen en het bestuur van de instelling, alsmede over het toezicht erop. De overige paragrafen hebben betrekking op de rechten en verplichtingen en het arbeidsrechtelijk en sociaalrechtelijk statuut van het personeel, de overdracht aan het U.Z.A. van roerende en onroerende goederen, activa en passiva, rechten en verplichtingen, de in artikel 55 van het Wetboek der successierechten opgenomen vrijstelling, de bevoegdheid tot onteigening van onroerende goederen en de door de nieuwe rechtspersoon U.Z.A. en de Universiteit Antwerpen te sluiten beheersovereenkomst.

B.1.2. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet blijkt dat de decreetgever tot doel heeft gehad een « onbenoemde rechtspersoon sui generis » op te richten :

« De indieners van dit voorstel stellen nu voor om het Universitair Ziekenhuis Antwerpen af te splitsen en onder te brengen in een instelling zonder winstoogmerk met rechtspersoonlijkheid, naar analogie van de regeling die geldt voor de verzelfstandiging van de OCMW-ziekenhuizen, zoals omschreven in het hoofdstuk XIIbis van de OCMW-wet van 8 juli 1976, zoals gewijzigd – zij het dat het om een onbenoemde rechtspersoon ‘ sui generis ’ gaat. Het gaat dus uitdrukkelijk niet om een VZW of een stichting in de zin van de wet op de verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, ook niet om een vennootschap » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2003-2004, nr. 2174/1, p. 3).

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.2.1. De Universiteit Antwerpen betwist de procesbekwaamheid van de verzoekende partij.

B.2.2. In beginsel heeft een feitelijke vereniging, te dezen een vakorganisatie, niet de vereiste bekwaamheid om bij het Hof een beroep tot vernietiging in te stellen.

Anders is het wanneer zij optreedt in aangelegenheden waarvoor zij wettelijk als een afzonderlijke juridische entiteit is erkend en wanneer, terwijl zij wettelijk als dusdanig betrokken is bij de werking van overheidsdiensten, de voorwaarden zelf voor haar betrokkenheid bij die werking in het geding zijn.

In zoverre zij in rechte treedt ter vernietiging van bepalingen die tot gevolg hebben dat aan haar prerogatieven wordt geraakt, moet zulk een organisatie voor de toepassing van artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met een persoon worden gelijkgesteld.

B.2.3. De verzoekende partij, de Algemene Centrale der Openbare Diensten, is een representatieve vakorganisatie in de zin van artikel 8 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.

Ten gevolge van het bestreden decreet krijgt het U.Z.A. een privaatrechtelijk karakter, waardoor niet langer de voormelde wet van 19 december 1974, maar de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités toepasselijk is.

Het bestreden decreet heeft aldus een weerslag op de prerogatieven van de verzoekende partij.

De exceptie van onontvankelijkheid wegens gebrek aan procesbekwaamheid wordt verworpen.

B.3.1. Krachtens artikel 5 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof moet het verzoekschrift worden ondertekend door de belanghebbende of zijn advocaat.

De Vlaamse Regering en de Universiteit Antwerpen betwisten de vertegenwoordigingsbevoegdheid van C. Reniers, die het verzoekschrift heeft ondertekend.

B.3.2. Naar luid van artikel 20, e, van de statuten van de verzoekende partij hebben het algemeen secretariaat en het federaal uitvoerend bureau de opdracht om de A.C.O.D. in rechte te vertegenwoordigen.

Bij beschikking van 21 september 2005 heeft het Hof de verzoekende partij verzocht het bewijs voor te leggen dat C. Reniers de verzoekende partij op rechtsgeldige wijze voor het Hof vertegenwoordigt.

B.3.3. Bij brief van 29 september 2005 heeft de verzoekende partij het gevraagde bewijs voorgelegd.

De exceptie van onontvankelijkheid wegens gebrek aan vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt verworpen.

Ten gronde

B.4. Volgens het enige middel schendt het bestreden decreet de artikelen 38 en 39 van de Grondwet doordat het voorziet in een « instelling zonder winstoogmerk ». De invoering van een nieuwe privaatrechtelijke rechtsvorm zou niet tot de toegewezen bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten maar tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid behoren.

B.5. Artikel 38 van de Grondwet bepaalt :

« Elke gemeenschap heeft de bevoegdheden welke haar door de Grondwet of door de wetten aangenomen krachtens deze laatste, worden toegekend ».

Artikel 39 van de Grondwet bepaalt :

« De wet draagt aan de gewestelijke organen welke zij opricht en welke samengesteld zijn uit verkozen mandatarissen de bevoegdheid op om de aangelegenheden te regelen welke zij aanduidt met uitsluiting van die bedoeld in de artikelen 30 en 127 tot 129 en dit binnen het gebied en op de wijze die zij bepaalt. Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid ».

Zolang niet voldaan is aan de voorwaarden vermeld in artikel 35 van de Grondwet beschikt de federale overheid over de residuaire bevoegdheid.

B.6. Volgens het bestreden decreet wordt het U.Z.A. een « instelling zonder winstoogmerk » – met rechtspersoonlijkheid – zodra de beslissing tot afsplitsing door de Universiteit Antwerpen is genomen. Zoals aangehaald in B.1.2 had de decreetgever tot doel een « onbenoemde rechtspersoon sui generis » op te richten.

B.7. Artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen luidt :

« In de aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren, kunnen de Gemeenschappen en de Gewesten gedecentraliseerde diensten, instellingen en ondernemingen oprichten of kapitaalsparticipaties nemen.

Het decreet kan aan de voornoemde organismen rechtspersoonlijkheid toekennen en hun toelaten kapitaalsparticipaties te nemen. Onverminderd artikel 87, § 4, regelt het hun oprichting, samenstelling, bevoegdheid, werking en toezicht ».

Op grond van die bepaling is de decreetgever bevoegd om, in de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten behoren, gedecentraliseerde diensten, instellingen en ondernemingen op te richten, zonder daarbij gebonden te zijn aan vooraf bestaande organisatievormen. De decreetgever kan daarbij gebruik maken van zowel publiekrechtelijke als privaatrechtelijke technieken, zij het dat het hem daarbij verboden is, behoudens met een beroep op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, op algemene wijze af te wijken van het handels- en vennootschapsrecht, dat krachtens artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 5°, van diezelfde bijzondere wet behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de federale Staat, of van het rechtspersonenrecht, dat tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid behoort.

B.8. In zoverre het bestreden decreet voorziet in een regeling die betrekking heeft op de afsplitsing van het U.Z.A. van de Universiteit Antwerpen, regelt het een aangelegenheid die binnen de krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet aan de Vlaamse Gemeenschap toekomende bevoegdheid inzake onderwijs valt.

Door in die aangelegenheid te voorzien in een sui generis-instelling zonder winstoogmerk en daarvoor een eigen specifieke juridische vorm uit te werken, zonder te verwijzen naar één van de door de federale wetgever gereglementeerde vormen van rechtspersoonlijkheid, is de decreetgever binnen de hem door artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 verleende bevoegdheid gebleven en heeft hij geen inbreuk gemaakt op een federale – toegewezen of residuaire – bevoegdheid.

B.9. Het middel is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 7 december 2005.

De griffier, De voorzitter,

P.-Y. Dutilleux A. Arts

Oudere Berichten »

Categorieën